Daar lag ik dan onder mijn peulhoed…. Ik besloot de vijf eerste seconden te blijven liggen en niet onmiddellijk op te springen en te doen alsof er niets aan de hand was. Want het leek erop dat mijn voet weer gebroken was. Dit was niet leuk meer…
In plaats van te vertragen had de jonge bromfietser nog opgetrokken, en in plaats van uit te wijken voor ons beiden, was hij recht op mij afgestoven, in plaats van zich af te wenden van mijn zaklamp, gebruikte hij mijn lichtsignaal als doelwit, in plaats van te luisteren naar mijn alarmkreet, … Het baatte allemaal niets – in een rotvaart had hij me omgeduwd en meegesleurd, terwijl beide motorijders roepend en tierend verder scheurden – terwijl er aan de andere kant van de straat plaats zat was om uit te wijken. Het was warm, mul zand en het voelde lekker aan: ik wilde blijven liggen, want dit was een brug te ver… Gelukkig had het zand mijn val gebroken, zodat ik niet van voor tot achter open wonden had.
Riet was in paniek: ineens lag ik roerloos voor haar in het zand – ik had me immers omgedraaid om met mijn zaklamp teken te doen naar die tweede naderende brommer – de eerste was in volle vaart en met veel lawaai op ons komen aanrijden. Het leek of ze elkaar zouden kruisen op onze hoogte… De moto achter ons nog meer roepend en tierend dan die vóór ons. Mijn inschatting klopte: ze kruisten elkaar ter hoogte van ons, maar ik had er geen rekening mee gehouden dat ze niet zouden vertragen, nog minder dat ze mijn signaal zouden negeren en al helemaal niet dat ze me wetens en willens zouden omver rijden om dan gewoon door te rijden alsof er niets was gebeurd, en bovendien met véél jolijt.
Riet had niet begrepen wat er gebeurd was: ik stond immers achter haar en toen lag ik ineens voor haar – onder mijn peulhoed, onze nieuwe aanwinst! Ze jammerde omdat ik niet bewoog – ‘het is mijn been’ zei ik en toen was ze gerustgesteld. Maar de aanblik was toch een beetje schrikken: ik zag voor het eerst van mijn leven mijn eigen kuitspier onder de afhangende huid. Gelukkig was er geen ader geraakt. Een 20-tal mensen kwam rond ons staan gapen – hopend op wat extra animatie, want niemand stak een handje toe. Riet verbond mijn wond met mijn sjaal. Zelf deed ik een brommer stoppen en beval hem naar het hospitaal te rijden. Riet stapte op een andere brommer. Beide moto’s waren rustig komen aanrijden, maar toen ze met ons wilden wegrijden, gaven ze volle gas. ‘Faites attention!’ riep Riet. Dat werkte als een rode lap op een stier – plots werden we van overal toegeschreeuwd en op hoongelach onthaald. Een paar jonge gastjes liepen ons al joelend achterna – ‘Faites attention!’ klonk het aan alle kanten…
Gelukkig was men in het hospitaal vriendelijker – ze kenden me immers, alleen niet als patiënt. Twee uur later was mijn been genaaid en stapten we buiten onder de sterrenhemel. Riet was net niet van haar stekje gedraaid en moest nog even bekomen. Had ik niet minder dan twee minuten voor onze aanrijding gezegd, dat ik me volstrekt veilig voelde in het donker… maar dat je alleen moest oppassen voor jonge gasten op hun brommers? Precies om middernacht waren we thuis. Het leek wel of de sterren vierkant draaiden – ik stond ineens terug met beide voeten op de grond (en mijn voet was niet gebroken). Het was kerstnacht…Back to Earth…
There I lay in the dust, under my Peulh hat…. and decided during the five first seconds to keep lying on the ground instead of jumping up and acting as if nothing had happened. Because it felt like my foot (which was once broken in the Brazilian jungle) was fracturen again. This was fun no longer….
Instead of slowing down, the young biker actually accelerated, and instead of trying to avoid us, he aimed directly at me. While I signalled to him with my torch that there was someone in his track, he used this signal, not to dodge, but as a target. And my screams of alarm … it all did not make a differente: at top speed he pushed me over and dragged me through the sand, while both bikers, the one who overran me and the one behind me, raced stremming and howling – while there was ample room at the other side of the street to evade me. The dust on the ground was warm and loose and felt pleasurable: I wanted to stay down, because this was a bridge too far… Fortunately the sand cushioned my fall, so that I was not torn open from front to back.
Riet, my friend on visit from Flanders, panicked: suddenly I lay still in front of her in the sand – I had turned around, actually, to signal to the other motorbiker with my torch – the first one was rusting toward us at full speed, and it looked as if they were going to pass each other at where we were, the biker behind us shouting and screaming even more than the one in front of us. My guess proved right: they crossed each other at the height of where we were, but I had not reckoned that they wouldn’t slow down, less even that they woud ignore my signal and least of all that they would run over me deliberately and then simply continue their journey as if nothing had happened – and with great mirth.
Riet had not grasped what had happened, as I had been behind her, while now suddenly I lay in front of her, under my peul hat, our newest purchase. She cried out because I did not move – “it’s my leg”, I said and then she was reassured. But the sight was a bit of a fright: for the first time in my life I saw my calf muscle through the dangling skin. Fortunately no artery had been torn. Some 20 people gathered around, staring at us – hoping for some fun, better than television, because nobody moved an inch to help. Riet bandaged my leg with my scarf. I myself held a biker and told him to drive me to the hospital. Riet was able to get on to another motorbike. Both bikers had approached us quietly, but when they heard our request they suddenly accelerated, so Riet cried out to the crowd: “Faites attention!” That had the effect of a red rag on a bull – all of a sudden we were shouted at and we were treated to a barrage of sneers. Some young guys ran after us booing “Faites attention!” from all sides.
Luckily people were friendlier in the hospital – well, they knew me, albeit not as a patient. Two hours later my leg was stitched up and we stepped outsider under the African starry sky. Riet had not fainted – just – but needed some time to recover. Had I not told her two minutes before the collision that I felt perfectly safe in the dark here … but that one had to look out for young guys on motor bikes? Exactly at midnight we arrived home. It felt as if all stars spinned square – I stood with both feet on the ground again (and my foot was not broken, it turned out later). It was Christmas eve….
Enkele dagen geleden postten we hier het vervolg van het verhaal over onze brieven aan o.m. het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Tijdens het schrijven van deze post wisten we nog niet dat ondertussen een schrijven van de Heer Vanackere in Antwerpen was aangekomen, en de eerlijkheid gebiedt ons: een heel beleefde brief waarin het beleid van het Ministerie wordt toegelicht.
Alleen: er staat geen datum op deze brief noch een kenmerk, dus ik heb er het raden naar wanneer hij werde geschreven en verzonden: vrienden uit België die hier in Mali op bezoek zijn, brachten den post uit Antwerpen mee. In ieder geval was deze herrie niet nodig geweest indien op ons schrijven van 29 juli jl. een spoedig antwoord was gekomen. Dat je tot december moet wachten op een antwoord geeft toch te denken.
Desalniettemin: hartelijk dank aan de heer Vanackeren en het Ministerie voor deze duidelijke toelichting. De gevoerde politiek roept echter wel degelijk nog steeds ernstige vragen op. Zo wordt reizen naar Mali nog steeds (zoals vroeger) afgeraden vanwege een verhoogd gevaar voor terroristische activiteiten in het Noorden van het land. Dit is zonder meer een juiste inschatting van het gevaar voor rondtrekkende blanke toeristen, maar daarbij moet men wel weten dat dat zo’n 1.000 km hier vandaan is, en gezien de povere staat van de wegen mag men er rustig 2 dagen voor uittrekken…
Maar de nieuwe informatie die thans op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (http://diplomatie.belgium.be/nl/Diensten/Op_reis_in_het_buitenland/reisadviezen/afrika/mali/ra_mali.jsp?referer=tcm:314-75100-64) te vinden is, is heel wat genuanceerder dan voordien, en spreekt ook niet meer van een negatief reisadvies naar Mali in het algemeen. Wat een verademing, wat een vooruitgang!
Hier in Segou is alles nog rustig en totaal veilig – ‘nog’ want dat kan natuurlijk veranderen, net zoals wachten in een bushokje in Luik ook levensgevaarlijk kan zijn.
Maar al bij al een bemoedigende vooruitgang, waarvoor onze hartelijke dank.
We eten onze dochter opLet’s eat our daughter first, and then we’ll see
In Fintiguila is geen dokter, geen apotheek, zelfs geen vroedvrouw, ook niet een oudere, ervaren vrouw die jongere vrouwen kan helpen bij de bevalling van kinderen. Dus alle bevallingen hier in het dorp zijn volstrekt gratis!!! En vrij van alle medische begeleiding of hulp. Met als gevolg talloze problemen, ook post-natale bij de jonge vrouwen hier. Ook het minste probleempje kan voor dramatische situaties zorgen, vooral in combinatie met de Malinese mentaliteit. Het aantal vrouwen in het dorp met post-natale problemen is moeilijk te schatten, maar ligt waarschijnlijk toch boven een kwart.
Zo was er deze week een jonge vrouw die op het punt stond te bevallen, maar de vrucht lag in stuitligging, iets wat in het dorp niet tot een goed einde kan worden gebracht. Dus had Souleymane aan de echtgenoot aangeraden, een schaap te verkopen en met dat geld naar Segou te gaan om daar in het ziekenhuis te bevallen. Afgezien van de hobbelige weg van 2,5 uur daar naartoe, zou ze er prima worden geholpen, en wij konden haar van eten en dergelijke voorzien. (Patiënten in het hospitaal krijgen in Mali geen eten, daar moet de familie voor zorgen. Heb je geen familie in de buurt? Pech gehad!…) De brave echtgenoot heeft inderdaad een schaap verkocht, maar de moeder van de jonge vrouw (en wellicht iedereen in de familie) wilde eens zijn / haar buik vol eten, dus hebben ze het geld van de verkoop van het schaap helemaal opgegeten. Prima gevoel in de buik!
Alleen: wat moest er nu met de dochter gebeuren? De (groot)moeder vond: ze moest dan maar naar de traditionele medicijnman. Wat die van bevallingen weet, laat zich makkelijk raden. We waren er allebei de put van in: het kind natuurlijk dood geboren, en je moest nog maar je hart vasthouden over het leven van de moeder…. Zo gaat dat hier: eerst je buik goed rond eten, daarna zien we wel hoe de (ook uiterst ernstige) problemen worden opgelost – niet dus. En dat een moeder dat haar dochter (of zoon, maakt niet uit) aan doet, is hier evenmin ongewoon: een mensenleven is nauwelijks van enige tel, zelfs niet dat van je eigen kinderen.
Mimi vond, dit is geen goede titel met de “We”, het zou “Ze” moeten zijn, want het is allemaal niet echt kwaad bedoeld. Nee, ‘kwaad’ bedoeld is het niet. Maar ook niet ‘goed’ bedoeld, want ze weten hier overal in het land, tot in het afgelegenste dorp toe, dat westerse geneeskunde veruit superieur is aan wat hun traditionele medicijnmannen presteren. Waarom komen ze anders voortdurend naar ons om iets tegen de hoofd- of oor-pijn te vragen, tegen diarrhea of malaria? Keenlijk staat de medicijnman daartegen machteloos. Maar een bevalling met stuitligging? DAT is een koud kunstje voor hem!…. (In het hospitaal zegt ons de dokter: wie bij ons komt met b.v. een ernstige wonde of een botbreuk zien we volgende keer terug – nadat ze de traditionele medicijnman hebben geraadpleegd (die is immers veel goedkoper) – voor een amputatie….) En het is niet zo dat deze ongeletterde grootmoeder dit alles niet kan weten. Het dorpshoofd is ook ongeletterd. Maar hij komt wel raad vragen aan ons met zijn gezondheidsproblemen. Ik heb ook soms gedacht dat de mensen hier niet beter weten, maar het is volgens mij anders: de meesten willen niet beter weten, en dus is heel veel van de armoede en de ellende hier ‘selbstverschuldet’ (in de woorden van Kant: zelf veroorzaakt). Nergens is dit m.i. zo goed tot uitdrukking gebracht dan door Bartholomäus Grill in zijn boek Ach Afrika! (München: Goldman 2003; English edition: Africa!), waar hij schrijft het heeft over
“nicht nur von der gescheiterten Modernisierung im postkolonialen Afrika, sondern von der verweigerten Modernisierung. Die Afrikaner seien ‘die einzigen Menschen auf der Welt, die noch meinen, dass sich andere als sie selbst um ihre Entwicklung kümmern müssen. (137-8) [niet slechts over de mislukte modernisering, maar over de geweigerde modernisering in het postkoloniale Afrika. De Afrikanen zijn kennelijk de enigen op aarde die nog de mening zijn toegedaan dat anderen als zij zelf zich om hun lot moeten bekommeren.]
Dus peuzelen we maar ons kleinkind op (en misschien ook onze dochter erbij), daarna zien we wel.
In Fintiguila there is no physician, no pharmacy, not even a midwife. Also not an older woman who might help younger women with child delivery. So all deliveries in the village are free of charge!! And free of all medical support or help. With the result that numerous deliveries are problematic and cause serious post-natal problems for young women (who are often just 14 or 15 years old). Even the slightest problem can acquire quite dramatic proportions, especially in combination with Malian mentality. The number of women in the village with serious post-natal problems is difficult to estimate, but will surpass a quarter of them, I guess.
This week a young woman was expected to deliver a baby, but the foetus was in breech, not a thing that can be brought to a good end in the village here. So Souleymane had advised the husband to sell one of his sheep and with that money go to the hospital in Segou. Except for the dangerous drive of 2.5 hours in the jeep on the dirt track, she would receive excellent treatment there, and we could have taken care of her meals there. (Patients do not receive meals in the hospitals here, that is the responsibility of the family. You have no family in town? Bad luck!) So the virtuous husband sold indeed a sheep, but the mother of the young woman (and presumably some more members of the family) were hungry and wanted to eat their fill. So they ate the money the sheep had brought… Good feeling in your belly – not in that of the daughter!
But what to do with that daughter yet? The (grand)mother thought she should simply consult a traditional medicine man. What such an old man might know about deliveries in breech, you may guess. Mimi and I were both pretty depressed by the situation: of course the baby would be still-born, and you had to pray for the life of the mother. But that’s the way Malian culture treats such trifles: first eat as much as you can (when another has paid for it), and then we’ll see how to solve the (even quite dramatic) problems. Which in practice means: we don’t solve them but go to sleep to digest the meal we’ve just had. And that a mother does that to her daughter (or her son, for that matter) is not exceptional either: a human life does not matter in Mali.
Mimi found the “We” in the titlel of this text not suitable, and should be changed to “They”, because the people involved had no malicious inent. Still, you cannot claim that this was well-intentioned: satisfying your hunger has apparently a higher place in the Malian value system than a new child. So you cannot say they ate the money because they meant it for the best of the young woman and her child.
It was in bad faith, moreover, because all over Mali, even in the remotest villages, people know that Western medicine is far superior to their traditional fetisjeurs. Why, otherwise, do they constantly come to us (who are not even medical personnel) for some relief against head- or toothache, against constipation or malaria? Apparently the traditional medicine man is powerless against such ailments. But a delivery in breech, that is just peanuts to the medicine man!
The head of the emergency in the hospital tells us: those who come to them with a serious wound or a fracture they usually don’t see for a while – the patient will consult the traditional medicine man first (who is also much cheaper!), they then see them again … for an amputation ….
And it is not the case that this illiterate grandmother eating her grandchild is unable to know all this. The village chief is also an illiterate old man. But he comes to ask advice about health problems. I have often thought that people here do not know any better, but the longer I reside here, the more I become convinced that many (most?) do not want to know any better, and that the bulk of poverty and misery is, in the words of the philosopher Immanuel Kant, ‘selbstverschuldet’: caused by oneself.
Nowhere has this been expressed so tersely as by Bartholomäus Grill in his book Ach Afrika! (München: Goldman 2003)), where he writes:
“nicht nur von der gescheiterten Modernisierung im postkolonialen Afrika, sondern von der verweigerten Modernisierung. Die Afrikaner seien ‘die einzigen Menschen auf der Welt, die noch meinen, dass sich andere als sie selbst um ihre Entwicklung kümmern müssen.” (137-8) [not only the failed modernization, but the refused modernization in post-colonial Afrika. Africans are apparently the only people on earth who are of the opinion that others than themselves should take care of their development.]
So we swallow up our grandchild (and maybe our daughter on top it it.) Afterwards we will see….
Het is dinsdag 8 november en een belangrijke dag: we reizen naar Bamako, de hoofdstad, in een poging de hulpgoederen die we per container van Antwerpen naar Dakar hebben verscheept, en die de maatschappij DSV verder naar Bamako heeft gebracht (beiden voor een niet zo heel goedkope prijs, zo’n 2 Euro per kg). Die container is nu kennelijk in Bamako aangekomen, dus we proberen onze hulpmaterialen (computers, schermen, toetsenborden, computermuizen, zo’n 150 Franse boeken, didaktisch materiaal voor de scholen, enz.) naar Segou te krijgen.
Officieel vertrekt de bus om 8 u, maar niemand weet het precies, dus is het beter om ruim drie kwartier voordien aan de halte te zijn. Dus om 7 u stappen we het huis uit. Aan het bus station worden we weer geconfronteerd met één van de dingen waar ik maar niet aan gewend raak: bedelende kinderen. Ze zoeken busstations op omdat daar mensen komen die (tenminste een beetje los) geld hebben (zie verder), en bovendien ‘gevangen’ zijn: ze moeten wachten tot de bus vertrekt. Maar deze kinderen zijn in Mali (in tegenstelling tot veel andere Afrikaanse of Arabische landen) eigenlijk nooit opdringerig. Ze vallen je niet echt lastig, lopen niet voor je voeten, maar hun blikken zeggen je voldoende.
Vóór je staat een jongetje, misschien 6 of 7, natuurlijk blootsvoets, in kleren die je op het eerste gezicht waarschijnlijk als ‘vodden’ zou beschouwen.
Maar je vergist je: dit zijn geen ‘vodden’, je zou er niet aan denken er je auto meet e wassen! Het zijn smerige, kapotte, in stukken hangende vodden. Als je ze een vogelverschrikker zou aandoen, zouden de vogels niet wegblijven, want ze zouden de vogelverschrikker niet als iets herkennen wat op een mens lijkt, zelfs niet in de verte. Ronduit gezegd: de vogelverschrikkers die je in de korenvelden (en elder) in het Westen vindt zijn eleganter gekleed dan de bedelende kinderen hier.
Vogelverschrikkers in het veld, in een westers land
En zien deze westers vogelverschrikkers er niet veel ‘menselijker’ uit dan deze talibe jongen?
Maar dat is enkel uiterlijkheid. Het zegt nog niets over de confrontatie met zulke kinderen. En zoals gezegd: hoe hard ik ook probeer om een mentale afstand in te bouwen: ik slaag er niet in om ze zonder pijn te bekijken – zeker wanneer het kind je in de ogen kijkt, NIETS zegt – of wanneer hij begint, het zand van je schoenen te wrijven met …. wel, met een vod, die hij even goed om zijn lichaam zou kunnen dragen.
“Hoe kun je in vredesnaam doen alsof je mens bent”, lijken zijn ogen te zeggen, “wanneer je mij elementaire menselijkheid ontzegt?”
“Ik heb ook een menselijk lichaam, dat hongerig wordt na een tijd, dorst heeft, en – eerlijk gezegd – ik zou ook graag wat kleren hebben die me er meer als een mens dan als een spook doen uitzien.”
Alles eerlijk verdeeld?
Hoe lang kun je het onder die ogen uithouden? Meestal juist lang genoeg om te besluiten dat je iets moet doen. Geld geven is geen goed idee: het zou hem meteen worden afgepakt door de oudere jongens, die het voor heel andere doelen zullen gebruiken dan door jou bedoeld. En zelfs als hij erin slaagt, het voor ze verborgen te houden, dan moet hij het ‘s avonds afgeven aan de marabout tot wie hij behoort. (Hij is immers door zijn ouders aan deze ‘heilige man’ geschonken en behoort hem volledig toe. En vergeet niet: de Koran zegt om de paar verzen dat Allah alles ziet en weet!) Een kind dat niet gehoorzaamt of niet voldoende bedel-geld in het laatje brengt, staat er niet goed voor, zoals de volgende foto overduidelijk laat zien (overgenomen uit een artikel waarin Human Rights Watch de praktijk van ‘maraboutage’ aan de kaak stelt, op http://www.interet-general.info/spip.php?article13789
Het werk van een 'heilige man', genoemd 'marabout'
Er zijn inmiddels genoeg onafhankelijke getuigenissen van zulke barbaase mishandelingen van kinderen in West-Africa, waaraan echter door westerse media of organisaties (laat staan de politiek) iets doen; zie de interessante beschrijving op
http://gponthieu.blog.lemonde.fr/category/notules-griffures/page/3/, met de erbij horende fotootje van een jongetje van een jaar of 6, gekneveld, afgezweept, en zonder eten of drinken vastgehouden in een kamer van het vroegere moslim-gerechtsgebouw in Saint Louis in Senegal, door zijn ‘heilige man’, namens Ahmadou Ba, die, geconfronteerd met de mishandeling van dit kind, vond dat hij volledig terecht had gehandeld, want: “l’enfant fuguait tous les jours”. (Wie van ons zou er niet vluchten als dit soort behandeling ‘evident’ is volgens je meester??)
Wil je meer weten over het droevige lot van deze jongens, ‘garibout’ of ‘talibe’ genoemd, (aantallen zijn niet bekend, maar het gaat zeker om meer dan 10.000 kinderen!) bekijk dan dit fragment (maar wees gewaarschuwd: sommige beelden kunnen schokkend zijn):
Vanwege onze kennis dat dergelijke mishandelingen regelmatig voorkomen (waarover voorzover ik weet geen enkele Malinees druk maakt – het officiële standpunt is dat de wet het kind beschermt – wat klopt: dat er wetten zijn!…) en wetende dat deze jongens vrijwel permanent in honger leven, hebben we steeds iets te eten bij ons. Dus geef je hem een stukje van een plaatselijk gebak.
Helpt het? “Tja, wel een beetje: het neemt het holle gevoel in mijn buik even weg. Maar het verandert niets! Over een uur heb ik weer honger.” Dus je hoopt tegen alle hoop in. Bovendien: op het moment zelf dat je hem een banaan geeft, merk je dat al je hoop ijdel is. Want onvermijdelijk merk je dat er zo’n 20 jongens in het bus station rond dwalen (en er zijn een 10-tal bus stations in Segou…) En wanneer een half uur later een andere marabout zijn ‘les’ beëindigd heeft en de kinderen de straat op moeten, komt er een nieuw contingent van zo’n 20 jongens het stationsplein op gewandeld. Er zijn nu zo’n 40 tot 50 jongens die allemaal rondzwerven om tenminste hun buik te kunnen vullen.
Ze bedelen niet echt, ze kijken je gewoon aan. Ze zeggen niet veel, en als dat al het geval is, meestal onder elkaar, wat vaak geestig moet zijn, want tegen alle verwachtingen in – wonderbaarlijk – lachen deze kinderen veel, zoals in dit plaatje van talibes, onlangs genomen vóór enkele winkeltjes in Segou:
Talibe jongens voor de winkels in Segou
Er is niets meer dat je kunt doen, want de bus gaat vertrekken en we moeten tijdig in Bamako zijn. Het nakende vertrek veroorzaakt een schokgolf in de groep jongens. Immers, dit is hun laatste kans om iets van de passagiers gedaan te krijgen. Maar de Malinese reizigers zijn tamelijk onverschillig voor hun lot, in weerwil van het feit dat de Koran Moslems voortdurend vermaant om het gebed niet te verwaarlozen en zakat (aalmoezen) te geven – vaak zelfs samen in hetzelfde vers vernoemd. Wel, de gebeden, vijf keer per dag, kun je Malinezen hier overal op een bijna kwezelachtige manier zien doen. Maar kennelijk hebben ze er geen enkele moeite mee, om een andere, minstens zo belangrijke, plicht voor moslims systematisch te verzuimen.
Dus gebeurt er niets. Iedereen stapt de bus in. Tot een dame het plein oprijdt in een klein autootje om haar man aan het station af te zetten. De jongens richten zich nu tot haar, maar wanneer ze verder rijdt met gesloten raampjes en zonder de kinderen een blik waardig te gunnen, kun je voor het eerst iets van woede in de groep herkennen…
Niet dat je nu op de bus tussen westerse reisgezellen bent beland. Maar wie in Mali een busreis kan maken, is toch enigszins welgesteld (naar de normen van dit land). We kennen persoonlijk vele mensen hier die hun familie elders in het land niet kunnen bezoeken, gewoon omdat ze het kaartje van een busrit, meestal zo rond de 5 Euro, gewoon niet kunnen betalen…
Dus de volgende vier uren in de bus geven je heel wat gelegenheid om over de dingen des levens hier na te denken.It is Tuesday 8 November and an important day: we are traveling to Bamako, the capital, in an effort to ‘free’ the goods that we sent by container from the port of Antwerp to Dakar in Senegal, and that has now apparently arrived in Bamako. The bus purportedly leaves at 8 but nobody knows for sure, so the best is to arrive some 45 minutes before official departure time. So at 7 a.m. we leave the house. When we make it to the bus station we are confronted with one of the things I have an incredibly hard time getting used to: begging children. They seek out bus stations because there are usually a good deal of people with nothing to do, who have some loose money in their pockets and are ‘captive’ anyway, because they have to wait for their bus. It must be said that these children (in contrast to some other countries) are NEVER bothersome: they are not pushy or obtrusive, but the looks they give you are enough.
Before you stands a boy, perhaps 6 or 7, of course barefoot, with clothes that at first sight you would call ‘rags’.
But you are wrong: these are not ‘rags’ (you would not think of washing your car with them), they are torn, tattered, rags. If you would put them on a scarecrow, the birds wouldn’t stay away, because they would not even recognize the thing as resembling a human being even vaguely. Frankly, the scarecrows you find in the fields of Europe are adorned with much more elegant clothes than what these children are wearing.
Vogelverschrikkers in een westers land
Aren’t these scarecrows much more ‘human’ than this talibe boy?
But that is only outer appearance. That says nothing yet of the confrontation with such a child (which I must confess I cannot get used to, whatever I try), when he stares you in the eyes, saying nothing, or he starts rubbing the sand off your shoes with a rag (which could as well be a piece of clothing for him).
“How can you possibly claim any humanity for yourself,” his eyes are telling you, “if you don’t acknowledge my humanity too?” “I have a human body too, which goes hungry and thirsty, and, frankly, I would appreciate some clothes that make me appear more like a human than an alien.”
Human dignity?
How long can you stand such eyes? Mostly just long enough for you to decide you have to do something. Giving some money is no option: it would be taken from him immediately by the older boys, who might use it for all sorts of non-ideal purposes. But even if he succeeds in hiding it, he has to give up any money received to the marabout he belongs to at night. (And don’t forget: the Qur’an repeats over and over again: Allah sees everything!) If the child does not bring in enough money he may get a beating, as in the following picture (in an article in which Human Rights Watch denounces the practice of the ‘maraboutage’, on http://www.interet-general.info/spip.php?article13789 ):
The work of a 'holy man', by Malians adored as a 'marabout'
There are enough testimonies of such severe maltreatment of children in West-Africa, but Western media hardly pay attention to this – see the interesting observation on http://gponthieu.blog.lemonde.fr/category/notules-griffures/page/3/, with the accompanying photo of a young boy, 6 or 7 years of age, tied, whipped, and kept without food in a room of the old Islamic court in Saint-Louis, Senegal, by his Coranic ‘holy man’ called Ahmadou Ba, who acknowledged the treatment of this child, giving as his reason for it: “l’enfant fuguait tous les jours”. (Who of us wouldn’t??)
This is how a Coranic teacher sees his job
You may find an interesting account of these young boys, called garibout or talibe here on Youtube (but beware: some images may be disturbing!): http://www.youtube.com/watch?v=SlDM8Lq1a9s
So given the known maltreatment (about which not a single Malian does anything), and knowing the hunger these boys suffer continuously, we usually have some food with us. So you give him a bit of local cake.
Does it help? Well, yes, it kills the hollow feeling in my belly for some time. But it does not change anything: in an hour I’ll be hungry again. So you hope against all expectations. But the moment you have given him the banana, all your hopes are defeated, for you will notice that there are some 20 such boys at this bus station. (And there are some 10 such bus stations in Segou)… And when one of the marabouts has finished his ‘lesson’ half an hour later, there is another contingent of about 20 boys joining us: there are now some 40 tot 50 boys, all roaming around to fill their bellies. They do not really beg, they just stare at you. They don’t say much, and if, it is usually among themselves and witty, for against all expectations and amazingly, they laugh a lot, as in this picture of talibe boys taken recently in the streets of Segou.
Talibe boys in front of shops in Segou
But there is nothing more you can do – because the bus is going to leave and we have to get to Bamako in time. This stirs some ripples in the group of boys: this is their very last chance to get anything out of the passengers for their own well-being in the following hours. But the Malian travelers are quite indifferent to their plight, in spite of the Qur’an admonishing Muslims to do their prayers and give zakat (alms) – almost always mentioned together in the same verse – well the prayers they fulfill five times a day in an almost bigot way, but they have no qualms about forgetting the giving of alms, one of the ‘five pillars’ of Islam… So nothing happens, everyone gets on board of the bus, but the boys turn on a middle class woman bringing her husband to the bus station in a small car. The boys now turn on her for some little gift, but when she drives off with windows closed and not even paying attention, you can see some real anger in the group…
Not that you are amid Western-style travelers now that you are in the bus, but there is a sense that whoever is able to travel by bus is well-to-do. Numerous are the people we know personally who cannot visit their relatives somewhere else in the country because the bus ride will cost them some 5 Euros…
So the four hours in the bus to Bamako give you plenty of time to reflect on things of life here.
Het leven gaat hier zijn gewone, zeg maar, uitputtende gang: de 3 dagen (en nachten) in Fintiguila zijn uitermate belangrijk en goed, maar wel totaal uitputtend voor ons Europeanen. We zijn er nu eenmaal niet aan gewend in Europa, dat je moet opletten dat de kippen, geitjes of schapen niet hun behoefte in je kookpot doen (of op je hoofd, terwijl je ligt te slapen), of je nieuw geputte, kostbare water helemaal opdrinken. En Mimi noemen ze hier in het dorp ‘ka teliya’, de ‘snelle’. Omdat omgaan met Malinezen – en vooral de hoop die je hebt dat je iets ‘bijdraagt – zeeeerrrrr op de proef wordt gesteld. Nergens en door niemand is dit zo goed verwoord als door Yvonne Gerner: zie haar ‘Babablog’: http://rondombaba.blogspot.com/
ZEKER lezen, vooral haar ‘project’ met de schapen. Haar conclusie:
Met Malinesen samenwerken vraagt geduld, vertrouwen en vooral de bereidheid om de effectiviteit en opbrengst van een project langs een andere meetlat te leggen dan de onze, namelijk langs een Afrikaanse meetlat.Life ebbs on here in its usual, let’s say, exhausting way: the three days (and nights) we now spend in the village Fintigila are extremely important and contributing significantly to our project there, just being there, with and among the people of the village. But exhausting for us at the same time, because we never were educated to stand by and watch whether the chicken or goats do not their droppings in the cooking pot (or on your head, while you’re asleep), or be on your guard constantly that the sheep do not empty the bucket with your hardly won fresh water. And Mimi is called here ‘ka teliya’, the speedy one…. Because living with Malians – and especially your hope that you will ‘contribute’ something – are put to pretty hard tests here. No one has ever formulated this so well as Yvonne Gerner: see her ‘Babablog’ (http://rondombaba.blogspot.com/).
Recommende reading, especially the episode about raising sheep!
Unfortunately, the blog is only in Dutch, and it is hardly possible to render her acute self-relativizing but also the razor-sharp picture of Malian thought-habits in a translation.
Her conclusion
Working with Malians demands patience, confidence and especially the readiness to measure efficiency and profits of a project along a different dimension, i.e., an African one.
(1) Op donderdag 24 november werden ‘s nachts twee Franse werknemers van een Franse firma in Hombori (een klein stadje in het noordoosten, zo’n 700 km van Segou) door onbekenden, waarschijnlijk AQMI, uit hun hotel ontvoerd.
(2) vrijdag 25 november werden bij klaarlichte dag drie Europese toeristen in Timbuktu (eveneens zo’n 700 km hier vandaan en één van Mali’s belangrijkste toeristische trekpleisters) uit een restaurant ontvoerd; daarbij werd een vierde man, die zich verzette, koelbloedig neergeschoten. Van de daders is op dit moment geen spoor.
Daarbij de volgende opmerkingen onzerzijds: (1) was volstrekt voorspelbaar: AQMI dreigt al jaren met aanslagen tegen Franse bedrijven. De ontvoering was kennelijk goed voorbereid, conform de acties van Al Quaida in het algemeen. Wel nieuw was dat dit op Malinese bodem gebeurde (en niet, zoals voordien, in de omliggende landen, vooral Niger).
(2)is echter van een totaal nieuwe orde. Dat toeristen in Mali zelf ontvoerd worden, en dat men daarbij niet voor moord terugschrikt, is een volstrekt nieuw gegeven. Iets waarvoor de autoriteiten van vrijwel alle westerse landen al meer dan een jaar gewaarschuwd hebben, reden waarom ze alle reizen naar Mali afraadden.
Wij hebben ons altijd tegen dit advies geweerd, met de argumentatie
– dat die waarschuwingen op geen enkele wijze strookten met wat je hier ter plekke kon waarnemen, namelijk een rustig en veilige omgeving;
– dat de autoriteiten in hun argumentatie onjuiste feiten en verdraaiingen gebruikten, die herinnerden aan de befaamde CIA-vaststelling dat Irak over massavernietingingswapens beschikte – de autoriteiten gaven ook nooit aan waarop ze hun waarschuwingen baseerden;
– dat dit advies dodelijk was voor de toeristische branche in Mali, waardoor op grote schaal werkgelegendheid verdween en daarmee armoede werd geschapen, de allerbeste voedingsbodem voor radicaliseringen allerhande, inclusief de ideologie van AQMI, dat het westen niet te vertrouwen is – westerse landen hebben in de tussentijd ook NIETS ondernomen om het aldus ontstane leed te milderen of het vertrouwen van de Malinezen in het Westen terug te winnen.
Waarschijnlijk wrijven de autoriteiten zich nu zelfgenoegzaam in de handen: zie je wel dat onze waarschuwingen terecht waren?… Ahem, wel, euh, nee
Om te beginnen is het helemaal niet zeker (zelfs misschien onwaarschijnlijk) dat (2) door AQMI werd gepleegd: men denkt in dit geval eerder aan enkele Touareg-heethoofden, die graag een rijkelijk centje willen bijverdienen met de ontvoering van blanken. De aanslag past namelijk helemaal niet in de strategie van AQMI, die nooit een bedreiging tegen toeristen hebben uitgesproken. In die zin was de officiële waarschuwing nooit echt geloofwaardig. Zoals een Malinese vriend het hier heel treffend uitdrukte:
“Ils ont raconté des histoires qui sont devenues la vérité.”
Zo ongewoon is dat in de politiek niet….
Dat een paar heethoofden een criminele actie ondernemen, is niet typisch van Mali en kan morgen even goed in Kuregem, Borgerhout of Molenbeek gebeuren. Toegegeven: na de dood van Kaddafi (maar dat is slechts onlangs, terwijl de waarschuwing al van anderhalf jaar geleden dateert) is de situatie in Touareg gebied onzeker geworden. Immers, honderden Touareg soldaten in het leger van Kaddafi zijn naar huis teruggekomen, ook in Mali – en natuurlijk hebben ze hun wapens meegebracht. Dit zijn jonge mannen die gewend zijn behoorlijk wat geld te krijgen (van Kaddafi) en bovendien gewoon hun gang konden gaan in Libië, met het wapen in de hand. Deze nieuw ontstane situatie was iedereen ook hier bekend en zorgde voor grote ongerustheid. Maar dat is wat anders dan wat de overheden anderhalf jaar geleden verkondigden.
In ieder geval betekent de actie van (2) de doodsteek voor het toerisme in Mali, in ieder geval in het hele noordoosten van het land. Dat betekent heel concreet: honger voor families die tot nu toe van het toerisme leefden, en dat zijn er in directe zin enkele duizenden, indirect veel meer. Daarvoor is niet het westen verantwoordelijk, maar ongeletterdheid, dom islamitisch fanatisme (dat zeker NIET in overeenstemming is met wat in de Koran staat!) en pure egoïstische hebzucht. De Malinese president (ATT, zoal hij in de volksmond genoemd wordt) heeft krachtig uitgehaald naar het leger, dat het zijn taak niet naar behoren heeft uitgevoerd, ondanks het vele geld dat de overheid in het leger heeft geïnvesteerd. Dat kan kloppen, maar is in Mali niet zo vreemd: militairen beschouwen zich als ‘ambtenaren’ in dienst van de overheid (het ultieme ideaal van elke Malinees die een beetje kan lezen en schrijven: een baantje bij de overheid – net als in Frankrijk, trouwens) – en in Mali doe NIEMAND in overheidsdienst iets… Dus….
Wat betekent dit alles voor ons eigen werk hier? In principe niet veel: wij blijven gewoon hier en doen verder. Segou is vooralsnog volstrekt veilig, en in Fintiguila zal men wel geen blanken gaan zoeken…. Wij voelen ons ook helemaal niet bedreigd, al zullen deze gebeurtenissen en de armoede die in het verlengde daarvan ligt (samen natuurlijk met het totale gebrek aan onderwijs) voor een verdere islamitische radicalisering zorgen. Wat ons werk nog het sterkst negatief zal beïnvloeden is de persoonlijke situatie van onze vriend en mede-stander Souleymane: zijn hele bestaan (gebaseerd op verkoop van bogolan stoffen aan toeristen) stort in elkaar. Hij moet iets nieuws gaan opbouwen, en dat zal heel veel energie van hem vragen, energie die hij niet in het project kan steken. (En ook zijn financiële middelen zullen verregaand inkrimpen, dus wij zullen voor meer moeten opkomen – gelukkig zijn er de eerste tekenen van steun in Vlaanderen!) Maar verder doen we gewoon verder: we vertrekken zo dadelijk weer voor drie dagen naar Fintiguila, om de werking van de school (en de oprichting van een kleuterschool) te verzekeren. Daaraan hebben de aanslagen niets veranderd.
Recensie van Ton van de Lee’s boek “Kinderen van Afrika”Review of Ton van der Lee’s book “Kinderen van Afrika” (Children of Afrika)
Ton van der Lee: Kinderen van Afrika. Het success van particuliere hulpprojecten. Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2011.
Dit boek is eigenlijk twee boeken in één. Aan de ene kant is er het persoonlijke verhaal van de auteur (de lezers zeker bekend van verschillende van zijn andere boeken) en hoe hij stap voor stap tot de oprichting en de werking van zijn Stichting Nanouna is gekomen. Dit deel is zeer ‘verhalend’ van karakter en daardoor ook uiterst informatief voor wie nog niet eerder in Mali (of in Afrika) was: het dagelijkse leven aldaar, dat zo fundamenteel verschilt van het onze in het Westen, wordt aan de hand van vele anecdotes beschreven en voor het oog van de lezer opgeroepen. Tegelijk is het boek echter ook een handleiding voor wie een dergelijk inititatief (een particulier initiatief in de vorm van een Stichting zonder winstoogmerk) wil opzetten, welke valkuilen daarbij vermeden dienen te worden en hoe men het rendement van de zelf ingezamelde gelden optimaal ten goede kan laten komen aan diegenen die het echt nodig hebben. Want zoveel is intussen wel zeker: mensen verkiezen het in het algemeen heel sterk, donaties aan kleinere initiatieven te schenken, omdat ze dan zekerder zijn dat hun geld ook goed wordt besteed, zeg maar: dat het uiteindelijk in hoofdzaak terecht komt bij diegenen die men daadwerkelijk wil hebben. Bij de grotere organisaties heeft de burger toch al snel het gevoel, dat er heel wat van het geschonken geld naar de organisatie zelf gaat, en niet b.v. naar de kinderen die er behoefte aan hebben.
Het feit dat het boek deze twee doelstellingen tegelijk nastreeft betekent niet dat die twee elkaar bijten: integendeel, ze vullen elkaar op een heel zinvolle manier aan. En bovendien zijn de echt praktische tips voor mensen die dergelijke projecten (willen) organiseren apart in grijs in tabellen gedrukt, wat het geheel zeer overzichtelijk maakt. Het boek is daardoor uiterst waardevol: niet alleen vertelt het een (overtuigend) persoonlijk verhaal, waar heel wat uit te leren valt, het bevat ook heel concrete aanwijzingen voor iedereen die ontwikkelingsprojecten wil opstarten of steunen. Is dat belangrijk? Ik denk dat het geen geheim is dat ‘ontwikkelingshulp’ op dit moment geen goede naam heeft. En terecht: gedurende 50 jaar al wordt door Westerse landen behoorlijk wat geld gepompt in Derde Wereld landen, die er echter niet op vooruit gaan… (Ik beperk me verder tot Afrika: in een aantal gevallen zijn landen in dit continent er nu zelfs slechter aan toe dan voordat die hulp uit het Westen kwam). Vandaar dat een fundamentele bezinning op de aanpak van ontwikkelingshulp van essentieel belang is wil men de publieke opinie er gunstig voor stemmen. Wat duidelijk blijkt uit talloze publikaties dat overheidssteun aan ontwikkelingslanden weinig of niets uithaalt. In de eerste plaats gaat het geld in hoofdzaak naar firma’s uit het eigen land. En de mensen die worden uitgezonden strijken exorbitante salarissen op die in generlei verhouding staan tot wat ze ter plekke aan werk verrichten. (Ze worden ‘natuurlijk’ in een villa gehuisvest, met airconditioning, en krijgen een 4×4 – eveneens met airconditioning – ter beschikking om naar het werk te rijden….) Tenslotte is de zogenaamde expertise van deze vorm van ontwikkelingshulp van bedenkelijke kwaliteit. Ton van de Lee geeft in zijn boek het voorbeeld van een NGO die (goedbedoeld) een waterput bouwt in de onmiddellijke omgeving van het dorp. Na een jaar komen ze er weer langs en stellen tot hun ontzetting vast dat met de gegraven put systematisch links laat liggen en kilometers ver te voet naar de oude bron gaat om water te halen. Waar de slimme mensen van de NGO niet aan hadden gedacht, was dat in de plaatselijke cultuur vrouwen eigenlijk nauwelijks mogen buitenkomen en de wandeling naar de verre bron was een uitstekende gelegenheid om met andere vrouwen een praatje te maken. Aan de NGP-put vlak bij het dorp, onder het toeziend oog van de mannen, kon dit niet, en dus waren de vrouwen bereid om meerdere kilometers per dag met water te zeulen….
Maar men kan ook de huidige Belgische officiële ontwikkelingshulp (aan Mali, dat is het land waar zijn boek over gaat) eens onder de loep nemen. Daarbij wordt ongeveer 50 miljoen Euro besteed aan …. de veredeling van de veestapel, met name de koeien? Wat zegt u? Veeteelt??? In een land dat voor 80 {e9940e0c02f8d96d21e6f25569fda7b5198e19dfa9031a0585a9ae16fa7c9142} uit woestijn bestaat??? Je moet wel van ELK ecologisch bewustzijn gespeend zijn om te weten dat voor elke kilo vlees (de meeste van deze koeien zijn als slachtvee bedoeld, ze geven ook wat melk, maar dat is verwaarloosbaar klein) gelijk staat met een veelvoud aan kilo plantaardig voedsel…. Om het eens duidelijk te stellen:
Bovendien: wie eet hier in Mali vlees? De rijken, natuurlijk, want gewone Malinezen kunnen dat niet betalen – die zijn al blij dat ze 1 keer om de 3 maanden een kip kunnen slachten…. Dus DAT is de ontwikkelingshulp van België aan Mali: 50 m iljoen Euro, die u betaalt, zodat de rijkere Malinezen betere beefsteaks kunnen eten…. En natuurlijk, ik heb het met eigen ogen gezien: hun kantoortje in Bamako (laat staan die in Brussel!!) is prima voorzien van airconditioning, en voor de deur staan meerdere spikspinternieuwe witte keurig gewassen 4×4’s. (Om na de kantooruren naar huis te rijden, natuurlijk…. Je kunt toch niet in een gewone Malinese auto rondrijden als ontwikkelingshelper….) Kortom, op deze aanpak is zoveel fundamentele kritiek te uiten dat het absoluut niet te verwonderen is dat mensen het absoluut niet meer zien zitten. Darvoor zijn boeken als die van Ton van der Lee zo belangrijk. (Al maak ik mij geen enkele illusie dat die op het Ministerie gelezen worden….)
Omgekeerd heeft de Westerse ontwikkelingshulp ook veel kwaad gedaan doordat de ontvangers (zeg maar de Afrikanen) er mee gaan rekenen zijn dat die hulp TOCH kwam. Van der Lee spreekt in dit opzicht van hulpverslaving en dat woord is zeker volledig op zijn plaats. Een vriend van hem drukt het nog krachtiger uit: “De tijd van cadeautjes is allang voorbij. (…) Food for work, dat is mijn advies voor jouw project. Dat is de moderne benadering. Laat ze ervoor werken.” (p. 49) (NB: Het gaat hier uiteraard om structurele ontwikkelingshulp, niet om hulp aan rampgebieden!)
Uiterst belangrijk ook waar van der Lee de nadruk op legt is een ‘exit-strategie’: hoe plant men om met het project op te houden. Inderdaad, projecten zijn niet voor de eeuwigheid, en het helpt enorm bij het opstarten als men ook weet wanneer de doelen van het project zijn bereikt, en men er dus mee kan stoppen. De meeste particuliere initiatieven denken niet over zo’n ‘exit strategie’ na en dan sterft het project meestal een ‘natuurlijke’ dood, doordat degenen die de ‘trekkers’ waren niet meer in leven zijn, of oud en gebrekkig geworden zijn, of omdat de contacten met de plaatselijke bevolking opdrogen, enz. Het project houdt dan daarmee wel op, maar meestal zijn de doelen niet bereikt, andermaal een ontgoocheling, zowel voor ontwikkelingswerkers, mensen die hen gesteund hebben, en natuurlijk voor de mensen ter plekke. Beter dus om ook een tijdplan uit te tekenen: over x aantal jaren moeten deze doelen bereikt zijn. Het allerbeste scenario is natuurlijk dat waarbij na die x aantal jaren het project zichzelf kan bedruipen, bijvoorbeeld doordat het heeft voorzien in training of opleiding van jonge mensen die nu daardoor een baan kunnen vinden, geld verdienen en het project verder zelf kunnen voeren.
Kortom, het boek van Van der Lee is een goudmijn voor eenieder die zich voor de Noord-Zuid problematiek interesseert en er wat aan wil doen. Er is één punt waarop ik het grandioos met de auteur on-eens ben. Hij spreekt diverse keren over ‘marabouts’, dat zijn mannen (uitsluitend mannen!) die zich uitgeven als bijzonder begenadigd in religious opzicht (ze kunnen echt toveren, ziektes genezen, oogsten doen (mis)lukken, mensen doden, enz. enz.) De gewone Malinees heeft tegelijk een geweldig ontzag en een vreselijke angst voor deze marabouts. Van der Lee schrijft over hen: :In ieder geval zijn de marabouts allemaal heilige mannen die in groot aanzien staan.” (p. 27) Pardon? Ik zou zelf om te beginnen het woord ‘heilig’ iets spaarzamer gebruiken. Dus het woord ‘allemaal’ in het citaat zou beter worden weggelaten. Het is een beetje zoals in het lied van Herman van Veen: “Echte helden zie je zelden.” Zo zijn er in mijn optiek maar heel weinig echt heilige mensen. En de mensen die zich in Mali ‘marabout’ noemen, zijn meestal het tegendeel: het zijn in de allermeeste gevallen schijnheilige, meedogenloze uitzuigers van kinderen, die ze meestal gebruiken voor hun eigen profijt. Voor een documentaire in samenwerking met HRW (Human Rights Watch) tot stand gekomen (weliswaar over Senegal, maar de situatie is daar zo mogelijk nog beter dan in Mali!): Kinderen tot bedelen gedwongen door marabouts. En hoe het er ‘s avonds in de Koranschool toegaat, kun je elke morgen aan elk busstation in elke stad in Mali zien: dan kun je daar zien hoe die ‘heilige mannen’ de jongetjes met de zweep hebben toegetakeld (omdat ze niet genoeg gebedeld hebben). (Tussen haakjes: de ‘zweep’ is hier een reep die uit een oude autoband gesneden is en met ijzerdraad aan een stok is bevestigd: oefen daar thuis eens een keertje mee op de schors van een oude eik, en je zult verbluft staan van het effect….) Het tweede deel van het citaat van van der Lee is zonder meer juist, maar beweren dat in Mali ‘marabouts allemaal heilige mannen’ zijn, is in schril contrast met de werkelijkheid. Het zijn juist de marabouts die een gesel zijn voor dit land. Toen de president van Burkina Faso voor enkele jaren het bedelen verbood, zijn de Burkinabé-marabouts massaal naar Mali afgezakt om hier hun walgelijke praktijken verder te zetten. Het land zou erbij gebaat zijn wanneer de ‘maraboutage’ eenvoudig zou worden afgeschaft. Een en ander blijkt ook uit het recent (maar helaas nog niet gepubliceerd) onderzoek van Jelle Hilven van de Vrije Universiteit Brussel, die een kleine steekproef deed naar de situatie van kinderrechten in Mali. Hilven rapporteert:
Als deze kinderen op het eind van de dag niet genoeg arbeid verzet hebben op de velden of niet genoeg hebben kunnen verzamelen tijdens het bedelen, staat deze kinderen een ongelofelijke aframmeling of vernedering te wachten. Veel van hun hebben dan ook overduidelijke littekens en brandwonden op hun gezicht en lichaam. (p. 10 – 11)
Van de zijde van politie of justitie hoeft men hier geen heil te verwachten. Opnieuw Hilven:
Zo heb ik bijvoorbeeld tijdens een gesprek met de jeugdrechter vernomen dat er een onderzoek door een NGO is gebeurt waarbij er geschat werd dat er jaarlijks zo’n 12000 kinderen in Segou misbruikt werden maar er geen enkele aangifte dat jaar bij de politie is gedaan. (p. 21)
En hoe ‘heilig’ de marabouts werkelijk zijn blijkt uit een onderhoud met de enige jeugdrechter in een middelgrote stad, die getuigt dat in heel zijn carriere niet één marabout voor de rechtbank is moeten verschijnen. Werkelijk heilig!
Ik vermoed dat Ton van der Lee het met deze kritische opmerkingen over de maraboutage eens zal zijn, daarvoor heeft hij lang genoeg in het land gewoond en kent de gebruiken en misbruiken. En die paar zinnetjes doen natuurlijk in generlei wijze afbreuk aan de waarde van zijn boek. Maar Westerse lezers zijn mijns inziens niet gebaat bij een voorstelling van de Malinese marabouts als ‘heilige’ mannen….
Al bij al is dit een boek waarvan ik hoop dat velen het zullen lezen, ook mensen die niet direct betrokken zijn bij ontwikkelingshulp, al is het alleen al omdat Van der Lee de plaatstelijke toestanden van armoede en onderontwikkeling op een manier weet te schilderen die de lezer vragen doet stellen bij de eigen rijkdom….
Ton van der Lee: Kinderen van AfrikaTon van der Lee: Kinderen van Afrika. Het success van particuliere hulpprojecten. Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2011.
Van klank kun je normaal niet echt een beeld maken. Toch zou je deze rubriek moeten beginnen met een zwart vierkant:
Zo ziet het hier ‘s nachts uit (als de maan niet schijnt). Alles is in diepe slaap gedompeld en de inktzwarte nacht omhult je met zijn zwarte handschoenen. Je denkt dat dit nog een hele tijd kan doorgaan, maar dan gebeurt er iets. Wanneer precies is ons nog niet zo duidelijk: volgens Mimi is het rond 4 u., volgens mij eerder rond halfzes ‘s ochtends. Maar ineens ontstaat uit dit zwarte gat een nieuw heelal. Een echte ‘big bang’. Wat is er aan de hand? Het is het eerste gebed van de moslims. Iemand zit heel ongeduldig op dat gebed te wachten en daarom moet er massaal ruchtbaarheid aan worden gegeven. Er is hier slechts één moskeetje iets verder in de straat en de versterking die ze daar voor het gebed gebruiken is zeer bescheiden. Maar nu, om uit het zwarte vierkant te treden, is het alsof we omgeven zijn door een dozijn moskeeën, waarvan de muezzins doen alsof hun leven ervan af hangt door op te roepen tot het gebed. Ik hou eigenlijk van de muezzin: hij geeft regelmaat en structuur aan de dag, en gezien ik hier geen horloge meer draag (indachtig het Afrikaans gezegde “Vous Européens, vous avez des montres, mais nous avons le temps”), helpt de muezzin om een beetje ordening aan te brengen in de dikke brei van Afrikaanse tijd. Alleen: een gezang tot de allerhoogste zou toch tenminste mooi moeten klinken. (En mocht je een echt prachtige Azan – morgengebed – willen horen, weliswaar uit Turkije, dan is dit wat – met zo’n muziek wil ik elke dag van mijn leven gewekt worden! Toegegeven, het is pentatonische muziek, zoals ons Gregoriaans, trouwens, en je moet je daaraan overgeven en het Wohltemperierte Klavier vergeten, maar dan gaat een wereld van muzikale schoonheid open: Azan, het islamitische morgengebed. Maar wat de muezzins hier presteren moet niet onderdoen voor wat de kosters in mijn kinderjaren presteerden: elke muzikale neiging bruusk de kop indrukken, elk esthetisch gevoel ondermijnen – OF: het juist allemaal tot verzet nopen, verzet tegen de officiële kosters.
De muezzins hier zingen niet mooi, maar hard genoeg om iedereen wakker te maken. Wel ga je na verloop van tijd verschillende stemmen herkennen, en hoe elk van de muezzins een eigen stijl heeft, soms een diepe sonore stem die het gebed slechts 1 keer zingt, soms een hoge bariton die in een gevecht met een storm-op-zee gewikkeld lijkt, een ander onverschillig maar eindeloos herhalend.
Het netto effect is in ieder geval dat nu iedereen mee gaat doen: de hanen beginnen te kraaien, de ezels te balken, de schapen te blaten. Het hele dorp staat plots in rep en roer. Lawaai. Onmogelijk om niet deel te nemen. Behalve de slapenden. Die draaien zich nog een keertje om. En waarachtig, na een half uurtje houdt de storm op en wordt alles weer heel rustig, zelfs de hanen vergeten te kraaien. Dan rond zonsopgang (rond 6 u.) is alles stil, sommige mensen komen uit hun huizen, er verschijnen de eerste kinderen op straat, maar alles is kalm.
De rest van de dag blijft alles rustig, maar vrachtwagens komen aan- en afrijden voor het zand uit de Niger, en de schapen beginnen hartstochtelijk te blaten wanneer een meisje op de hoek begint te wenen. Nu kabbelt het rumoer van gezapig en veraf tot rumoerig, vaak gevoed door grote groepen kinderen die door de straten lopen: in Mali heb je steeds met een zee aan kinderen te maken (de helft van de bevolking is jonger dan 25 jaar!). Soms heb je de indruk dat je op een boerderij in de Vlaanders bent, zo kraait en blaat het hier. Maar tijdens de zengende hitte van de middag is alles stil.
Tegen de avond aan wordt alles wat luidruchtiger: de kinderen spelen wat gevaarlijker, de volwassenen komen naar buiten. En bij zonsondergang rond 18 u, precies 12 uur na de zonsopgang (alle dagen zijn hier even lang!) roept de muezzin nog een laatste keer voor het gebed. En als je toch nog eens een doorleefd en mooi gezang uit de Islam wil horen, luister dan naar: Voorzanger in islamitisch gebed. De volgende uren zijn donker, echt donker, want er is hier geen straatverlichting, en wat je hoort, wordt gedempt door de duisternis. De cicaden beginnen aan hun eindeloos eentonig nachtlied, dat echter geruststelt en een intimiteit schept.
Ten minste: wanneer er geen huwelijk wordt gevierd of wanneer jongelui een feestje gaan bouwen met hun 10.000 Watt versterkers. Dan kun je je best je oordopjes instoppen want het (werkelijk idiote) lawaai duurt … precies uit eerlijke schaamte tot de oproep tot het eerste gebed….Van klank kun je normaal niet echt een beeld maken. Er zijn wel mensen zoals Nabokov (niet de minste!) die beweerden dat ze klanken konden ‘zien’ of kleuren konden ‘horen’ (synesthesie, heet dat). En er is het beroemde gedicht van Arthur Rimbaud “Voyelles”, dat voor elke Franse klinker een gezichtsindruk wekt:
Vowels
(Voyelles)
A black, E white, I red, U green, O blue: vowels
Someday I’ll talk about your secret birth-cries,
A, black velvet jacket of brilliant flies
That buzz around the stenches of the cruel,
Gulfs of shadow: E, candour of mists, of tents,
Lances of proud glaciers, white kings, shivers of parsley:
I, purples, bloody salivas, smiles of the lonely
With lips of anger or drunk with penitence:
U, waves, divine shudders of viridian seas,
Peace of pastures, cattle-filled, peace of furrows
Formed on broad studious brows by alchemy:
O, supreme Clarion, full of strange stridencies,
Silences crossed by worlds and by Angels:
O, the Omega, violet ray of her Eyes!
Toch zou je deze rubriek moeten beginnen met een zwart vierkant:
Zo ziet het hier ‘s nachts uit (als de maan niet schijnt). Alles is in diepe slaap gedompeld en de inktzwarte nacht omhult je met zijn zwarte handschoenen. Je denkt dat dit nog een hele tijd kan doorgaan, maar dan gebeurt er iets. Wanneer precies is ons nog niet zo duidelijk: volgens Mimi is het rond 4 u., volgens mij eerder rond halfzes ‘s ochtends. Maar ineens ontstaat uit dit zwarte gat een nieuw heelal. Een echte ‘big bang’. Wat is er aan de hand? Het is het eerste gebed van de moslims. Iemand zit heel ongeduldig op dat gebed te wachten en daarom moet er massaal ruchtbaarheid aan worden gegeven. Er is hier slechts één moskeetje iets verder in de straat en de versterking die ze daar voor het gebed gebruiken is zeer bescheiden. Maar nu, om uit het zwarte vierkant te treden, is het alsof we omgeven zijn door een dozijn moskeeën, waarvan de muezzins doen alsof hun leven ervan af hangt door op te roepen tot het gebed. Ik hou eigenlijk van de muezzin: hij geeft regelmaat en structuur aan de dag, en gezien ik hier geen horloge meer draag (indachtig het Afrikaans gezegde “Vous Européens, vous avez des montres, mais nous avons le temps”), helpt de muezzin om een beetje ordening aan te brengen in de dikke brei van Afrikaanse tijd. Alleen: een gezang tot de allerhoogste zou toch tenminste mooi moeten klinken. Maar wat de muezzins hier presteren moet niet onderdoen voor wat de kosters in mijn kinderjaren presteerden: elke muzikale neiging bruusk de kop indrukken, elk esthetisch gevoel ondermijnen – OF: het juist allemaal tot verzet nopen, verzet tegen de officiële kosters.
De muezzins hier zingen niet mooi, maar hard genoeg om iedereen wakker te maken. Wel ga je na verloop van tijd verschillende stemmen herkennen, en hoe elk van de muezzins een eigen stijl heeft, soms een diepe sonore stem die het gebed slechts 1 keer zingt, soms een hoge bariton die in een gevecht met een storm-op-zee gewikkeld lijkt, een ander onverschillig maar eindeloos herhalend.
Het netto effect is in ieder geval dat nu iedereen mee gaat doen: de hanen beginnen te kraaien, de ezels te balken, de schapen te blaten. Het hele dorp staat plots in rep en roer. Lawaai. Onmogelijk om niet deel te nemen. Behalve de slapenden. Die draaien zich nog een keertje om. En waarachtig, na een half uurtje houdt de storm op en wordt alles weer heel rustig, zelfs de hanen vergeten te kraaien. Dan rond zonsopgang is alles stil, sommige mensen komen uit hun huizen, er verschijnen de eerste kinderen op straat, maar alles is kalm.
De rest van de dag blijft alles rustig, maar vrachtwagens komen aan- en afrijden voor het zand uit de Niger, en de schapen beginnen hartstochtelijk te blaten wanneer een meisje op de hoek begint te wenen. Nu kabbelt het rumoer van gezapig en veraf tot rumoerig, vaak gevoed door grote groepen kinderen die door de straten lopen: in Mali heb je steeds met een zee aan kinderen te maken (de helft van de bevolking is jonger dan 25 jaar!). Soms heb je de indruk dat je op een boerderij in de Vlaanders bent, zo kraait en blaat het hier. Maar tijdens de zengende hitte van de middag is alles stil.
Tegen de avond aan wordt alles wat luidruchtiger: de kinderen spelen wat gevaarlijker, de volwassenen komen naar buiten. En bij zonsondergang rond 19 u, precies 12 uur na de zonsopgang (alle dagen zijn hier even lang!) roept de muezzin nog een laatste keer voor het gebed. De volgende uren zijn donker, echt donker, want er is hier geen straatverlichting, en wat je hoort, wordt gedempt door de duisternis. De cicaden beginnen aan hun eindeloos eentonig nachtlied, dat echter geruststelt en een intimiteit schept.
Ten minste: wanneer er geen huwelijk wordt gevierd of wanneer jongelui een feestje gaan bouwen met hun 10.000 Watt versterkers. Dan kun je je best je oordopjes instoppen want het (werkelijk idiote) lawaai duurt … precies uit eerlijke schaamte tot de oproep tot het eerste gebed….
Tussen de honderden bedelende jongetjes die je hier op straat ziet, zie je eigenlijk nooit een meisje. Die worden angstvallig thuisgehouden, mede ook natuurlijk om het zware werk daar te doen, of ze worden de stad ingestuurd, om daar te ‘dienen’ (zoals dat bij ons in de 19de E heette). Daar verdienen ze vrijwel niets voor een slavenleven: van 6 u. ‘s ochtends tot minstens 6 u. ‘s avonds, vaak tot middernacht, zijn ze in de weer niet slechts met huiselijke taken maar ook met zwaar fysisch werk. (Ooit al eens een jerrycan van 20 liter op je hoofd enkele kilometer verplaatst? BESLIST eens proberen!) Het gaat vaak om meisjes van 14-15 jaar, en wanneer ze na een jaar dienen (waarin ze niet één Euro verdiend hebben) op huisbezoek gaan, zijn ze meestal zwanger, en mogen dan van geluk spreken dat ze niet met HIV besmet zijn. Of ze worden de prostitutie ingestopt. Officieel is dat verboden in Mali, maar de Malinese manier is om over heikele dingen niet te spreken …. dan bestaan ze niet!
De Koran laat hier ook weinig onduidelijkheid over bestaan: Sura 24, vers 33 zegt duidelijk:
“But force not your maids to prostitution when they desire chastity, in order that ye may make a gain in the goods of this life. But if anyone compels them, yet after such compulsion, is Allah Oft-Forgiving, Most Merciful (to them).” (Ali 2009: 39)
Voor wie aan de vertaling mocht twijfelen, hier is die van Abdel Haleem (2005):
“Do not force your slave-girls into prostitution when they themselves wish to remain honourable, in terms of your quest for the short-time gains of this world, although, if they are forced, God will be forgiving and merciful [to them].” (p. 223)
Of die van Arkoun (Paris: 1970):
“Ne forcez point vos servants a se prostituer, si elles désirent se prémunir contre la prostitution en vue des biens de ce monde. Si quelqu’un les y forçait, Dieu sera indulgent et aura pitié d’elles. De ce qu’elles n’ont fait de mal par contrainte.” (p. 276)
Of die van Henning (1960):
“Und zwingt nicht euere Sklavinnen zur Hurerei, wo sie keusch leben wollen, in Trachten nach dem Gewinn des irdischen Lebens. Und wenn sie einer zwingt, siehe, so ist Allah, nachdem sie gezwungen wurden, vergebend und barmherzig.” (p. 338)
Geen woord over diegenen die de meisjes tot prostitutie dwingen, dat is kennelijk OK, daar hoeft kennelijk geen vergevingsgezinde Allah aan te pas te komen. Ook het motief dat wordt aangegeven is interessant: je moet er niet op uit zijn, geld te verdienen met het prostitueren van je dienstmeisjes. Kennelijk gaat het in de tekst om een wereld waarin het dwingen tot prostitutie van afhankelijke meisjes tot de alledaagse geplogenheden behoort. (Waarom er anders een waarschuwing tegen uitvaardigen?) Interesssant boek, die Koran! Waarom vertellen de Arabisten en Islamologen ons niet meer over wat daar allemaal in staat, maar moeten wij dat op TV van hitsige jonge mannen horen, die waarschijnlijk nog nooit de Koran gelezen hebben?!!
Maar goed, gisteren werd ik op straat aangeklampt door een 6-tal bedelende <em>meisjes</em>, wat ik nog niet eerder had gezien. Het was duidelijk dat ze als groepje opereerden, wellicht om in hun eigen veiligheid te voorzien. Ik had niet veel om ze te geven (en geld geven we sowieso nooit!), dus ik gaf ze een tomaat. Toen ik naar mijn fiets toestapte, kwamen ze me allemaal tegemoet gelopen, gaven me een hand en kusten me op mijn armen. Ik hoop maar dat ze niet denken dat ik ook een ‘marabout’ ben….
Referenties:
Ali, Abdullah Yusuf. The Holy Qur’an. New Delhi: 2009.
Abdel Haleem, M.A.S.: The Qur’an. Oxford University Press, 2005.
Arkoun, Mohammed. Le Coran. Paris: Flammarion, 1970.
Henning, Max. Der Koran. Stuttgart: Reclam, 1960.
Over het bedelen van de leerlingen van de Koranscholen, zie de BBC reportages:
http://www.msnbc.msn.com/id/24229321/ns/world_news-africa/t/some-islamic-schools-turn-kids-beggars/Amidst the (literally) hundreds of begging boys one meets in the street here, there is hardly ever a girl. That is because girls are painstakingly hidden in the house, to help their mothers do the household. Or they are sent to town to serve as a maid (as was usual in Europe until the first half of the 20th century). There they earn virtually nothing. For a slave life that begins at 6 a.m. and runs through 6 p.m., often even until midnight. (Usually they just get a meal in return for that – Malians, though Muslims, are not particularly compassionate among themselves, that is rather something that is expected of white strangers.) During that time they are occupied not just with household chores, but also with heavy physical labour. (Ever tried to move a 20-liter jerrycan filled with water for a couple of miles? You should DEFINITELY have a try!!)
Most of these girls are about 14-15 years of age, and when they return to their village after a year or so they have not a single earning to bring in, are oft pregnant, and may be quite happy when they are not HIV infected. Or, if they are not sent out to serve as a maid, they may be put in prostitution. Especially orphan girls, or ones that have weak family protection, often end there. Officially prostitution is illegal in Mali, but the police are some of the customers…. And the Malian way of treating problems is NOT to talk about them … then the problems simply don’t exist!
The Qur’an is enlightening in this respect. Sura 24, vers 33 says:
“But force not your maids to prostitution when they desire chastity, in order that ye may make a gain in the goods of this life. But if anyone compels them, yet after such compulsion, is Allah Oft-Forgiving, Most Merciful (to them).” (Ali 2009: 39)
For those readers who doubt the accuracy of translation, here is the one by Abdel Haleem (2005):
“Do not force your slave-girls into prostitution when they themselves wish to remain honourable, in terms of your quest for the short-time gains of this world, although, if they are forced, God will be forgiving and merciful [to them].” (p. 223)
Or the one by Arkoun (Paris: 1970):
“Ne forcez point vos servants a se prostituer, si elles désirent se prémunir contre la prostitution en vue des biens de ce monde. Si quelqu’un les y forçait, Dieu sera indulgent et aura pitié d’elles. De ce qu’elles n’ont fait de mal par contrainte.” (p. 276)
Or Henning’s (1960):
“Und zwingt nicht euere Sklavinnen zur Hurerei, wo sie keusch leben wollen, in Trachten nach dem Gewinn des irdischen Lebens. Und wenn sie einer zwingt, siehe, so ist Allah, nachdem sie gezwungen wurden, vergebend und barmherzig.” (p. 338)
Remarkable: not a single word about those who force young dependent girls in prostitution, apparently that is OK, no need for tha all-forgiving Allah to say something about this. Also the motive is interesting: you shouldn’t try to get money through prostituting your maids. Obviously the text is about a world in which forcing young girls into prostitution is something universally common. (Why, otherwise, would you have to fulminate against it?) Interesting book, this Qur’an. But why are Arabists and Islamologists not telling us such things, but do we have to listen on TV to the ranting of young men who in all probability have never quietly sat over the text of this book?
But OK, yesterday, I was accosted near the market by some 6 begging girls, something I had not experienced before. It was clear that they operated in group, presumably to provide protection to each other. I did not have much to donate, so I gave them a tomato. On going toward my bicycle, they stormed after me, shaking my hand and kissing my arms. I hope they did / do not take me for some kind of marabout…..
References:
Ali, Abdullah Yusuf. The Holy Qur’an. New Delhi: 2009.
Abdel Haleem, M.A.S.: The Qur’an. Oxford University Press, 2005.
Arkoun, Mohammed. Le Coran. Paris: Flammarion, 1970.
Henning, Max. Der Koran. Stuttgart: Reclam, 1960.
About begging by pupils of Koranic schools, see the BBC reports:
Op 29 juli van dit jaar schreven we een uitgebreid verzoek aan Karel de Gucht (Europees Commissaris van Handel) met cc. aan diverste Belgische en buitenlandse Ministeries en ambassades / consulaten. Alleen de Franse ambassadeur heeft tot nu toe hierop geantwoord (zij het het een jantje van leiden: dat hij verantwoordelijk is voor de ‘innocents Français’ die in Niger (!! Niet in Mali dus…) ontvoerd zijn. Men vraagt zich daarbij ook af of de kinderen die hier nu door het Franse negatieve reisadvies honger leiden, misschien niet evenzeer ‘innocents’ zijn). Maar afgezien daarvan hebben de Belgische autoriteiten er het zwijgen toe gedaan. Met één uitzondering: op 19 augustus werd ik thuis in Antwerpen opgebeld door de Heer Rik Wouters, kabinetschef van Minister Vanackere, Minister van Buitenlandse Zaken (en dus de verantwoordelijke voor het negatieve reisadvies over Mali.) De Heer Wouters heeft mij één zin meegedeeld: “U moet schrijven, dan zal ik antwoorden.” (Wat ik diende te schrijven, was mij niet zo duidelijk, want ik HAD net geschreven, maar goed, meteen kreeg de Heer Wouters en Minister Vanackere een nieuw schrijven. Maar van de tweede zin van de Heer Wouters is tot op heden (13.11.11) niets in huis gekomen.
Ik begrijp ook wel dat Mali niet bovenaan de agenda van onze bewindslieden staat, daarom heb ik ook behoorlijk wat geduld geoefend. Maar wanneer na 5 maanden er nog steeds geen teken van leven is, begint men zich toch de vraag te stellen of de Minister onze emails heeft ontvangen.
Hieronder vindt u kopieën van de net verzonden emails. Of er ooit een antwoord op komt? We houden jullie in ieder geval op de hoogte!! (En natuurlijk kun je zelf ook de nodige vragen aan de desbetreffende bewindslieden stellen….)
———————————–
Geachte Heer Vanackere,
Op 29 van dit jaar stuurde ik u in cc een kopie van een email met het verzoek om uw invloed te willen uitoefenen om een meer genuanceerd reisadvies voor Mali binnen de Europese Unie te verspreident. U vindt deze email onderaan te uwer attentie.
Op 19 augustus jl werd ik persoonlijk opgebeld door uw kabitnetschaf, de Heer Dirk Wouters, die mij verzocht: “U moet eerst schrijven, dan zal ik antwoorden.” Ik heb u dus onmiddelijk opnieuw de argumentatie toegestuurd (zie eveneens onderaan deze email), maar van de tweede helft van de zin van de Heer Wouters is tot op heden niets gekomen. In de desbetreffende email wordt verwezen naar naar de onderzoeksgegevens van het Freedom House, een onafhankelijke onderzoeksinstelling, die in haar jaarverslag steeds weer tot de conclusie komt dat Mali, naast Zuid-Afrika en enkele kleine landjes, het enige echt democratische land in Afrika is. Men zou dus verwachten dat u als beleidsvoerder er alles aan zou doen om de democratische instellingen in dit land te steunen en te verstevigen.
Precies omdat de Malinese overheid de voorbije jaren ingezet had op de ontwikkeling van een toeristische infrastructuur, die het land de nodige deviezen moest opbrengen voor verdere economische ontwikkeling, heeft echter het negatieve reisadvies van uw kabinet de hele Malinese economie een zware slag toegebracht, met als gevolg dat de armoede vrij spel krijgt.
Als tijdelijke bewoner van dit land ben ik uiteraard van dichtbij betrokken bij deze ontwikkeling die me naar de keel grijpt – temeer omdat deze maatregel eerder op angst lijkt gebaseerd dan op feitelijke gegevens. Daarom wil ik u nogmaals vragen of de inlichtingen waarover u beschikt betrouwbaar zijn… Zijn uw inlichtingen dan even goed als die van de CIA die zeker wist dat Irak over massavernietigingswapens beschikte? Waar zijn de feiten waarop het Belgische reisadvies (met betrekking tot Mali!) is gebaseerd?
Dat Mali niet tot Uw top-prioriteiten (daarom heb ik ook heel wat geduld geoefend: sind 29 juli!), ligt voor de hand, maar dat door het negatieve EU reisadvies, Malinese kinderen de hongerdood sterven, is ontoelaatbaar. Daarvoor schaam ik me diep, én als EU burger én als Belgisch ontwikkelingswerker in dit jonge, maar democratische land.
Ik wil u vragen of u mijn emails ontvangen heeft, en of u, als verkozene van het volk, bereid en in staat bent om op ernstige vragen van burgers (die u verkozen hebben) te antwoorden.
Met vriendelike groeten,
Prof. Willie van Peer, Ph.D.
————————————-
Aan de heer Karel De Gucht
Member of the European Commission
BE-1049 Brussels
Antwerpen, 29 juli 2011
Betreft: Negatieve reisadviezen voor Mali
Geachte heer De Gucht,
Als Europees Commissaris voor Handel en voormalig Commissaris voor Ontwikkelingshulp en Humanitaire Hulp bent u meer dan wie ook op de hoogte van Europa’s politiek tegenover Mali. Ondergetekenden betreuren in het bijzonder de laatste ontwikkelingen dienaangaande.
Sinds bijna een jaar wordt het EU-burgers ten stelligste afgeraden Mali te bezoeken. Officiële reden is een verhoogd gevaar voor terrorisme. Dit reisadvies is op vrijwel alle officiële websites te lezen en een aantal reislustigen werd ook persoonlijk gecontacteerd door ambassadepersoneel van België. Toch waren er de voorbije maanden geen incidenten in Mali – wél in de buurlanden.
Mali heeft dan ook een bijzonder stabiele regering, met aan het hoofd een partijloze vrouwelijke eerste minister naast een liberaal en vooruitstrevend president, die anders dan alle andere Afrikaanse presidenten geen derde ambtstermijn ambieert. Dat pleit voor het democratisch gehalte van deze regering, die het toerisme aanmoedigde, in de veronderstelling dat hierdoor de Malinese economie zou aantrekken, de extreme armoede zou verminderen en tegelijk universele waarden en systemen ingang zouden vinden in de Malinese samenleving. Want Mali opteert voor progressieve hervormingen op verschillende niveaus van de samenleving.
Precies daarom is het bijzonder pijnlijk vast te stellen dat Europa geen oog heeft voor de goodwill van deze regering. Integendeel, Europa’s draconische reisadviezen treffen Mali’s prille economie in het hart. De grootste slachtoffers zijn de gewone Malinezen, en niet AQMI. Bovendien betekent een dergelijke internationaal gecoördineerde aanpak gratis promotie voor AQMI, dat in de verpauperde regio’s het gat vult waar de andere (westerse) werkgevers zijn weggevallen. De groeiende economische én culturele isolatie van het land vergroten immers de materiële en geestelijke verarming van de bevolking. Dergelijke ontwikkeling vond ook in andere regio’s plaats en dreigt zich hier te herhalen.
Vandaar deze vraag om – in Mali’s én in Europa’s belang – uw persoonlijke invloed aan te wenden om deze uit de hand gelopen situatie om te buigen in een meer verantwoorde samenwerking met Mali. Primordiaal daarbij is dat het international reisadvies voor Mali wordt bijgestuurd – zowel door België als door de andere Europese landen. Gebeurt dit niet op korte termijn, dan kan dit op langere termijn tot een historische negatieve ontwikkelingsspiraal leiden, die zowel de Malinese als de Europese samenleving treft.
Met de meeste hoogachting,
Prof. Dr. Willie van Peer
Mimi Debruyn
v.z.w. Mali-ka-di
Ferdinand Coosemansstraat 87
2600 Antwerpen-Berchem
België
Tel +32-(0)3 2185436
[—————
Geachte Heer Wouters,
Bijzondere dank voor uw telefoon van daarnet [op 19 augustus jl.]. Uw diensten hebben van mij / ons een kopie ontvangen van een brief aan de Heer Karel de Gucht dd. 29 juli jl., waarvan u onderaan in deze email een kopie vindt. Ik wou u net een email sturen met de vraag om een reactie van Buitenlandse Zaken op ons schrijven. Wij begrijpen dat u bezorgd bent om het welzijn van Belgische burgers in Mali en waarderen dit ten zeerste. Echter, de situatie ter plaatse lijkt van dien aard te zijn dat er eigenlijk geen gevaar is voor Belgische toeristen (tenminste zolang ze zich aan veiligheidsvoorschriften houden, zoals niet ’s nacht te reizen): er zijn tijdens het laatste jaar op het grondgebied van Mali geen aanslagen tegen Belgische toeristen gepleegd en ook hebben er geen ontvoeringen van Belgische burgers plaats gehad. Wij zijn regelmatig in contact met enkele dozijnen landgenoten in het land die ons telkens weer bevestigen dat er in Mali geen terroristische dreiging heerst. Er zijn zeker kampen van AQMI op Malinees grondgebied, vooral in de grensstreek met Mauretanië, Algerije en Libye, maar die vormen vooralsnog geen enkel gevaar voor de typische toeristische oorden die door Belgen bezocht worden. Veeleer wordt voortdurend door vrijwel alle collega’s verwezen naar het diplomatiek conflict tussen Frankrijk en Mali, waarbij eerstgenoemde probeert bovenmatige druk op Mali uit te oefenen door zijn burgers sterk te ontmoedigen om daardoor het toerisme naar Mali te ontwrichten.
Wij willen er graag op wijzen dat Mali naast Zuid-Afrika het enige Afrikaanse land is waar enige vorm van prille democratie heerst, aldus de rapporten van de onafhankelijke organisatie FREEDOM HOUSE in New York (zie onder meer: http://www.freedomhouse.org/template.cfm?page=22&year=2011&country=8086). Deze prille democratie wordt nu door dergelijke negatieve reisadviezen van Westerse landen, waaronder België (dat kennelijk geen onafhankelijke koers vaart, maar zonder meer de Franse lijn volgt), in zijn bestaan bedreigt: door deze negatieve reisadviezen is het aantal jaarlijkse toeristen in Mali van 150.000 naar ongeveer 4.000 gezonken, wat voor een land als Mali een economische catastrofe betekent, terwijl de regering juist bezig was om de toeristische sector te versterken en uit te bouwen.
Het moge duidelijk zijn dat landen die aan de rand van de economische afgrond staan en door Westerse landen in de steek gelaten (of beter: afgestraft) worden, zich zeker niet in de richting van tolerante samenlevingen naar Westers model zullen ontwikkelen, en dat door de huidige negatieve reisadviezen de armoede in het land toeneemt – een betere voedingsbodem kan AQMI zich nauwelijks indenken. Kortom, wij willen er bij uw diensten met klem op aandringen, deze negatieve reisadviezen op te heffen (behalve voor enkele probleemgebieden). Men houdt AQMi zeker niet tot stand door armoede te veroorzaken.
Wij waarderen uw inspanningen voor de Belgische burgers ten zeerste, maar betreuren dat deze grotendeels zijn ingegeven door een diplomatiek geschil tussen Frankrijk / Mali en door onjuiste informatie ten aanzien van de veiligheid van westerse burgers in de typische toeristische gebieden van Mali (Segou, Djenné, Dogon, etc.) Het persoonlijk telefonisch opbellen van potentiële reizigers in België door ambassade-personeel, of het opwachten van Belgische toeristen op de luchthaven van Bamako om hen te ontmoedigen het land te bezoeken, creëert een paniek-sfeer onder potentiële toeristen die totaal ongegrond is – en onzes inziens ook niet tot de verantwoordelijkheden van ambassade-personeel behoort.
Wij vragen u daarom nogmaal dringend, in naam van onze eigen organisatie en van vele anderen, deze uit de lucht gegrepen negatieve reisadviezen aan Belgische en Europese burgers te willen beëindigen. Wijzelf vertrekken over enkele weken voor ontwikkelingshulp naar Mali. Wij kunnen u verzekeren dat wij ons in Mali veiliger weten dan in bepaalde delen van grootsteden in België…..
Met dank voor uw aandacht, en vriendelijke groeten,
Prof. Willie van Peer, Ph.D.
Mimi Debruyn
namens v.z.w. Mali-ka-di
Dear Readers,
On 29 July of this year we sent an extended request to Karel de Gucht (European Commissioner for Commerce) with cc. to various Belgian and foreign Ministries and embassies / consulates. Until now, only the new French ambassador has replied (albeit acting as if his nose was bleeding: he was here in Mali, so he wrote, to ‘protect’ the innocentFrench citizens that had been kidnapped – in Niger, by the way – so NOT in Mali…) One also wonders whether Malian children who now go hungry as a result of the French quasi-prohibition to its citizens to visit Mali are not perhaps also ‘innocent’ ….
But apart from this hollow reaction, there hasn’t been a single reaction on the part of the Belgian authorities (nor of the Dutch of British, for that matter!) With ONE exception! On 19 August I received a telephone call from Rik Wouters, Secretary-General to the Belgian Foreign Office, and to Steven Vanackere, Deputy Prime Minister of Belgium and Minister of Foreign Affairs. It was quite a weird telephone conversation, which consisted only (after my expressing my gratitude and whether we could discuss these things) of one simple clumsy sentence: “You must write, then I will anser.” (My clumsy translation). Whatever I needed to write to him did not dawn on me, since I HAD just extensively given him all the arguments. But I immediately sent Mr. Wouters and Mr. Vanackere a new email with the repeated arguments against a negative travel advice for Mali. The second half of Mr. Wouters’s sentence, however, has to this very day remained unfulfiled….
Sure I understand that this god-forgotten land (Mali) is no top priority for politicians, and for that reason I exerted quite a good deal of patience. But when not a single reaction is forthcoming after more than five months, one starts wondering (at least) whether the emails have reached their destinations.
In the Dutch version on this website (of course the letters are in Dutch) you will find our latest email (as of today, 13.11.11), of 19 August and of 29 July – all in this very year. Whether we will ever get an answer? I have long thought I lived in a democracy, meaning that people in responsible posts are elected, and thus one would be willing (if only out of the urge for self-preservation) to provide informed answers to serious questions by interested citizens. I am not so sure any more… (about democracy). But maybe you yourself can have a go. Who knows you are more successful than we!…