Auteur: Willie van Peer

OntvoeringenOOO

OntvoeringenOOO

De feiten zijn iedereen ondertussen wel bekend:

(1)  Op donderdag 24 november werden ‘s nachts twee Franse werknemers van een Franse firma in Hombori (een klein stadje in het noordoosten, zo’n 700 km van Segou) door onbekenden, waarschijnlijk AQMI, uit hun hotel ontvoerd.

(2)  vrijdag 25 november werden bij klaarlichte dag drie Europese toeristen in Timbuktu (eveneens zo’n 700 km hier vandaan en één van Mali’s belangrijkste toeristische trekpleisters) uit een restaurant ontvoerd; daarbij werd een vierde man, die zich verzette, koelbloedig neergeschoten. Van de daders is op dit moment geen spoor.

Daarbij de volgende opmerkingen onzerzijds: (1) was volstrekt voorspelbaar: AQMI dreigt al jaren met aanslagen tegen Franse bedrijven. De ontvoering was kennelijk goed voorbereid, conform de acties van Al Quaida in het algemeen. Wel nieuw was dat dit op Malinese bodem gebeurde (en niet, zoals voordien, in de omliggende landen, vooral Niger).

(2)is echter van een totaal nieuwe orde. Dat toeristen in Mali zelf ontvoerd worden, en dat men daarbij niet voor moord terugschrikt, is een volstrekt nieuw gegeven. Iets waarvoor de autoriteiten van vrijwel alle westerse landen al meer dan een jaar gewaarschuwd hebben, reden waarom ze alle reizen naar Mali afraadden.

Wij hebben ons altijd tegen dit advies geweerd, met de argumentatie

–       dat die waarschuwingen op geen enkele wijze strookten met wat je hier ter plekke kon waarnemen, namelijk een rustig en veilige omgeving;

–       dat de autoriteiten in hun argumentatie onjuiste feiten en verdraaiingen gebruikten, die herinnerden aan de befaamde CIA-vaststelling dat Irak over massavernietingingswapens beschikte – de autoriteiten gaven ook nooit aan waarop ze hun waarschuwingen baseerden;

–       dat dit advies dodelijk was voor de toeristische branche in Mali, waardoor op grote schaal werkgelegendheid verdween en daarmee armoede werd geschapen, de allerbeste voedingsbodem voor radicaliseringen allerhande, inclusief de ideologie van AQMI, dat het westen niet te vertrouwen is – westerse landen hebben in de tussentijd ook NIETS ondernomen om het aldus ontstane leed te milderen of het vertrouwen van de Malinezen in het Westen terug te winnen.

Waarschijnlijk wrijven de autoriteiten zich nu zelfgenoegzaam in de handen: zie je wel dat onze waarschuwingen terecht waren?… Ahem, wel, euh, nee

Om te beginnen is het helemaal niet zeker (zelfs misschien onwaarschijnlijk) dat (2) door AQMI werd gepleegd: men denkt in dit geval eerder aan enkele Touareg-heethoofden, die graag een rijkelijk centje willen bijverdienen met de ontvoering van blanken. De aanslag past namelijk helemaal niet in de strategie van AQMI, die nooit een bedreiging tegen toeristen hebben uitgesproken. In die zin was de officiële waarschuwing nooit echt geloofwaardig. Zoals een Malinese vriend het hier heel treffend uitdrukte:

“Ils ont raconté des histoires qui sont devenues la vérité.”

Zo ongewoon is dat in de politiek niet….

Dat een paar heethoofden een criminele actie ondernemen, is niet typisch van Mali en kan morgen even goed in Kuregem, Borgerhout of Molenbeek gebeuren. Toegegeven: na de dood van Kaddafi (maar dat is slechts onlangs, terwijl de waarschuwing al van anderhalf jaar geleden dateert) is de situatie in Touareg gebied onzeker geworden. Immers, honderden Touareg soldaten in het leger van Kaddafi zijn naar huis teruggekomen, ook in Mali – en natuurlijk hebben ze hun wapens meegebracht. Dit zijn jonge mannen die gewend zijn behoorlijk wat geld te krijgen (van Kaddafi) en bovendien gewoon hun gang konden gaan in Libië, met het wapen in de hand. Deze nieuw ontstane situatie was iedereen ook hier bekend en zorgde voor grote ongerustheid. Maar dat is wat anders dan wat de overheden anderhalf jaar geleden verkondigden.

In ieder geval betekent de actie van (2) de doodsteek voor het toerisme in Mali, in ieder geval in het hele noordoosten van het land. Dat betekent heel concreet: honger voor families die tot nu toe van het toerisme leefden, en dat zijn er in directe zin enkele duizenden, indirect veel meer. Daarvoor is niet het westen verantwoordelijk, maar ongeletterdheid, dom islamitisch fanatisme (dat zeker NIET in overeenstemming is met wat in de Koran staat!) en pure egoïstische hebzucht. De Malinese president (ATT, zoal hij in de volksmond genoemd wordt) heeft krachtig uitgehaald naar het leger, dat het zijn taak niet naar behoren heeft uitgevoerd, ondanks het vele geld dat de overheid in het leger heeft geïnvesteerd. Dat kan kloppen, maar is in Mali niet zo vreemd: militairen beschouwen zich als ‘ambtenaren’ in dienst van de overheid (het ultieme ideaal van elke Malinees die een beetje kan lezen en schrijven: een baantje bij de overheid – net als in Frankrijk, trouwens) – en in Mali doe NIEMAND in overheidsdienst iets… Dus….

Wat betekent dit alles voor ons eigen werk hier? In principe niet veel: wij blijven gewoon hier en doen verder. Segou is vooralsnog volstrekt veilig, en in Fintiguila zal men wel geen blanken gaan zoeken…. Wij voelen ons ook helemaal niet bedreigd, al zullen deze gebeurtenissen en de armoede die in het verlengde daarvan ligt (samen natuurlijk met het totale gebrek aan onderwijs) voor een verdere islamitische radicalisering zorgen. Wat ons werk nog het sterkst negatief zal beïnvloeden is de persoonlijke situatie van onze vriend en mede-stander Souleymane: zijn hele bestaan (gebaseerd op verkoop van bogolan stoffen aan toeristen) stort in elkaar. Hij moet iets nieuws gaan opbouwen, en dat zal heel veel energie van hem vragen, energie die hij niet in het project kan steken. (En ook zijn financiële middelen zullen verregaand inkrimpen, dus wij zullen voor meer moeten opkomen – gelukkig zijn er de eerste tekenen van steun in Vlaanderen!) Maar verder doen we gewoon verder: we vertrekken zo dadelijk weer voor drie dagen naar Fintiguila, om de werking van de school (en de oprichting van een kleuterschool) te verzekeren. Daaraan hebben de aanslagen niets veranderd.

Recensie van Ton van de Lee’s boek “Kinderen van Afrika”Review of Ton van der Lee’s book “Kinderen van Afrika” (Children of Afrika)

Recensie van Ton van de Lee’s boek “Kinderen van Afrika”Review of Ton van der Lee’s book “Kinderen van Afrika” (Children of Afrika)

Ton van der Lee: Kinderen van Afrika. Het success van particuliere hulpprojecten. Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2011.

Dit boek is eigenlijk twee boeken in één. Aan de ene kant is er het persoonlijke verhaal van de auteur (de lezers zeker bekend van verschillende van zijn andere boeken) en hoe hij stap voor stap tot de oprichting en de werking van zijn Stichting Nanouna is gekomen. Dit deel is zeer ‘verhalend’ van karakter en daardoor ook uiterst informatief voor wie nog niet eerder in Mali (of in Afrika) was: het dagelijkse leven aldaar, dat zo fundamenteel verschilt van het onze in het Westen, wordt aan de hand van vele anecdotes beschreven en voor het oog van de lezer opgeroepen. Tegelijk is het boek echter ook een handleiding voor wie een dergelijk inititatief (een particulier initiatief in de vorm van een Stichting zonder winstoogmerk) wil opzetten, welke valkuilen daarbij vermeden dienen te worden en hoe men het rendement van de zelf ingezamelde gelden optimaal ten goede kan laten komen aan diegenen die het echt nodig hebben. Want zoveel is intussen wel zeker: mensen verkiezen het in het algemeen heel sterk, donaties aan kleinere initiatieven te schenken, omdat ze dan zekerder zijn dat hun geld ook goed wordt besteed, zeg maar: dat het uiteindelijk in hoofdzaak terecht komt bij diegenen die men daadwerkelijk wil hebben. Bij de grotere organisaties heeft de burger toch al snel het gevoel, dat er heel wat van het geschonken geld naar de organisatie zelf gaat, en niet b.v. naar de kinderen die er behoefte aan hebben.

Het feit dat het boek deze twee doelstellingen tegelijk nastreeft betekent niet dat die twee elkaar bijten: integendeel, ze vullen elkaar op een heel zinvolle manier aan. En bovendien zijn de echt praktische tips voor mensen die dergelijke projecten (willen) organiseren apart in grijs in tabellen gedrukt, wat het geheel zeer overzichtelijk maakt. Het boek is daardoor uiterst waardevol: niet alleen vertelt het een (overtuigend) persoonlijk verhaal, waar heel wat uit te leren valt, het bevat ook heel concrete aanwijzingen voor iedereen die ontwikkelingsprojecten wil opstarten of steunen. Is dat belangrijk? Ik denk dat het geen geheim is dat ‘ontwikkelingshulp’ op dit moment geen goede naam heeft. En terecht: gedurende 50 jaar al wordt door Westerse landen behoorlijk wat geld gepompt in Derde Wereld landen, die er echter niet op vooruit gaan… (Ik beperk me verder tot Afrika: in een aantal gevallen zijn landen in dit continent er nu zelfs slechter aan toe dan voordat die hulp uit het Westen kwam). Vandaar dat een fundamentele bezinning op de aanpak van ontwikkelingshulp van essentieel belang is wil men de publieke opinie er gunstig voor stemmen. Wat duidelijk blijkt uit talloze publikaties dat overheidssteun aan ontwikkelingslanden weinig of niets uithaalt. In de eerste plaats gaat het geld in hoofdzaak naar firma’s uit het eigen land. En de mensen die worden uitgezonden strijken exorbitante salarissen op die in generlei verhouding staan tot wat ze ter plekke aan werk verrichten. (Ze worden ‘natuurlijk’ in een villa gehuisvest, met airconditioning, en krijgen een 4×4 – eveneens met airconditioning – ter beschikking om naar het werk te rijden….) Tenslotte is de zogenaamde expertise van deze vorm van ontwikkelingshulp van bedenkelijke kwaliteit. Ton van de Lee geeft in zijn boek het voorbeeld van een NGO die (goedbedoeld) een waterput bouwt in de onmiddellijke omgeving van het dorp. Na een jaar komen ze er weer langs en stellen tot hun ontzetting vast dat met de gegraven put systematisch links laat liggen en kilometers ver te voet naar de oude bron gaat om water te halen. Waar de slimme mensen van de NGO niet aan hadden gedacht, was dat in de plaatselijke cultuur vrouwen eigenlijk nauwelijks mogen buitenkomen en de wandeling naar de verre bron was een uitstekende gelegenheid om met andere vrouwen een praatje te maken. Aan de NGP-put vlak bij het dorp, onder het toeziend oog van de mannen, kon dit niet, en dus waren de vrouwen bereid om meerdere kilometers per dag met water te zeulen….

Maar men kan ook de huidige Belgische officiële ontwikkelingshulp (aan Mali, dat is het land waar zijn boek over gaat) eens onder de loep nemen. Daarbij wordt ongeveer 50 miljoen Euro besteed aan …. de veredeling van de veestapel, met name de koeien? Wat zegt u? Veeteelt??? In een land dat voor 80 {e9940e0c02f8d96d21e6f25569fda7b5198e19dfa9031a0585a9ae16fa7c9142} uit woestijn bestaat??? Je moet wel van ELK ecologisch bewustzijn gespeend zijn om te weten dat voor elke kilo vlees (de meeste van deze koeien zijn als slachtvee bedoeld, ze geven ook wat melk, maar dat is verwaarloosbaar klein) gelijk staat met een veelvoud aan kilo plantaardig voedsel…. Om het eens duidelijk te stellen:

 The same land to feed 1 “meat-eater” could feed from 20 to up to 150 vegetarians!
(http://www.bodytweaking.com/2006/04/18/meat-vs-veggies-facts-and-figures/, geraadpleegd op 10.11.2011)

Bovendien: wie eet hier in Mali vlees? De rijken, natuurlijk, want gewone Malinezen kunnen dat niet betalen – die zijn al blij dat ze 1 keer om de 3 maanden een kip kunnen slachten…. Dus DAT is de ontwikkelingshulp van België aan Mali: 50 m iljoen Euro, die u betaalt, zodat de rijkere Malinezen betere beefsteaks kunnen eten…. En natuurlijk, ik heb het met eigen ogen gezien: hun kantoortje in Bamako (laat staan die in Brussel!!) is prima voorzien van airconditioning, en voor de deur staan meerdere spikspinternieuwe witte keurig gewassen 4×4’s. (Om na de kantooruren naar huis te rijden, natuurlijk…. Je kunt toch niet in een gewone Malinese auto rondrijden als ontwikkelingshelper….) Kortom, op deze aanpak is zoveel fundamentele kritiek te uiten dat het absoluut niet te verwonderen is dat mensen het absoluut niet meer zien zitten. Darvoor zijn boeken als die van Ton van der Lee zo belangrijk. (Al maak ik mij geen enkele illusie dat die op het Ministerie gelezen worden….)

Omgekeerd heeft de Westerse ontwikkelingshulp ook veel kwaad gedaan doordat de ontvangers (zeg maar de Afrikanen) er mee gaan rekenen zijn dat die hulp TOCH kwam. Van der Lee spreekt in dit opzicht van hulpverslaving en dat woord is zeker volledig op zijn plaats. Een vriend van hem drukt het nog krachtiger uit: “De tijd van cadeautjes is allang voorbij. (…) Food for work, dat is mijn advies voor jouw project. Dat is de moderne benadering. Laat ze ervoor werken.” (p. 49) (NB: Het gaat hier uiteraard om structurele ontwikkelingshulp, niet om hulp aan rampgebieden!)

Uiterst belangrijk ook waar van der Lee de nadruk op legt is een ‘exit-strategie’: hoe plant men om met het project op te houden. Inderdaad, projecten zijn niet voor de eeuwigheid, en het helpt enorm bij het opstarten als men ook weet wanneer de doelen van het project zijn bereikt, en men er dus mee kan stoppen. De meeste particuliere initiatieven denken niet over zo’n ‘exit strategie’ na en dan sterft het project meestal een ‘natuurlijke’ dood, doordat degenen die de ‘trekkers’ waren niet meer in leven zijn, of oud en gebrekkig geworden zijn, of omdat de contacten met de plaatselijke bevolking opdrogen, enz. Het project houdt dan daarmee wel op, maar meestal zijn de doelen niet bereikt, andermaal een ontgoocheling, zowel voor ontwikkelingswerkers, mensen die hen gesteund hebben, en natuurlijk voor de mensen ter plekke. Beter dus om ook een tijdplan uit te tekenen: over x aantal jaren moeten deze doelen bereikt zijn. Het allerbeste scenario is natuurlijk dat waarbij na die x aantal jaren het project zichzelf kan bedruipen, bijvoorbeeld doordat het heeft voorzien in training of opleiding van jonge mensen die nu daardoor een baan kunnen vinden, geld verdienen en het project verder zelf kunnen voeren.

Kortom, het boek van Van der Lee is een goudmijn voor eenieder die zich voor de Noord-Zuid problematiek interesseert en er wat aan wil doen. Er is één punt waarop ik het grandioos met de auteur on-eens ben. Hij spreekt diverse keren over ‘marabouts’, dat zijn mannen (uitsluitend mannen!) die zich uitgeven als bijzonder begenadigd in religious opzicht (ze kunnen echt toveren, ziektes genezen, oogsten doen (mis)lukken, mensen doden, enz. enz.) De gewone Malinees heeft tegelijk een geweldig ontzag en een vreselijke angst voor deze marabouts. Van der Lee schrijft over hen: :In ieder geval zijn de marabouts allemaal heilige mannen die in groot aanzien staan.” (p. 27) Pardon? Ik zou zelf om te beginnen het woord ‘heilig’ iets spaarzamer gebruiken. Dus het woord ‘allemaal’ in het citaat zou beter worden weggelaten. Het is een beetje zoals in het lied van Herman van Veen: “Echte helden zie je zelden.” Zo zijn er in mijn optiek maar heel weinig echt heilige mensen. En de mensen die zich in Mali ‘marabout’ noemen, zijn meestal het tegendeel: het zijn in de allermeeste gevallen schijnheilige, meedogenloze uitzuigers van kinderen, die ze meestal gebruiken voor hun eigen profijt. Voor een documentaire in samenwerking met HRW (Human Rights Watch) tot stand gekomen (weliswaar over Senegal, maar de situatie is daar zo mogelijk nog beter dan in Mali!): Kinderen tot bedelen gedwongen door marabouts. En hoe het er ‘s avonds in de Koranschool toegaat, kun je elke morgen aan elk busstation in elke stad in Mali zien: dan kun je daar zien hoe die ‘heilige mannen’ de jongetjes met de zweep hebben toegetakeld (omdat ze niet genoeg gebedeld hebben). (Tussen haakjes: de ‘zweep’ is hier een reep die uit een oude autoband gesneden is en met ijzerdraad aan een stok is bevestigd: oefen daar thuis eens een keertje mee op de schors van een oude eik, en je zult verbluft staan van het effect….) Het tweede deel van het citaat van van der Lee is zonder meer juist, maar beweren dat in Mali ‘marabouts allemaal heilige mannen’ zijn, is in schril contrast met de werkelijkheid. Het zijn juist de marabouts die een gesel zijn voor dit land. Toen de president van Burkina Faso voor enkele jaren het bedelen verbood, zijn de Burkinabé-marabouts massaal naar Mali afgezakt om hier hun walgelijke praktijken verder te zetten. Het land zou erbij gebaat zijn wanneer de ‘maraboutage’ eenvoudig zou worden afgeschaft. Een en ander blijkt ook uit het recent (maar helaas nog niet gepubliceerd) onderzoek van Jelle Hilven van de Vrije Universiteit Brussel, die een kleine steekproef deed naar de situatie van kinderrechten in Mali. Hilven rapporteert:

Als deze kinderen op het eind van de dag niet genoeg arbeid verzet hebben op de velden of niet genoeg hebben kunnen verzamelen tijdens het bedelen, staat deze kinderen een ongelofelijke aframmeling of vernedering te wachten.  Veel van hun hebben dan ook overduidelijke littekens en brandwonden op hun gezicht en lichaam. (p. 10 – 11)

Van de zijde van politie of justitie hoeft men hier geen heil te verwachten. Opnieuw Hilven:

Zo heb ik bijvoorbeeld tijdens een gesprek met de jeugdrechter vernomen dat er een onderzoek door een NGO is gebeurt waarbij er geschat werd dat er jaarlijks zo’n 12000 kinderen in Segou misbruikt werden maar er geen enkele aangifte dat jaar bij de politie is gedaan. (p. 21)

 En hoe ‘heilig’ de marabouts werkelijk zijn blijkt uit een onderhoud met de enige jeugdrechter in een middelgrote stad, die getuigt dat in heel zijn carriere niet één marabout voor de rechtbank is moeten verschijnen. Werkelijk heilig!

Ik vermoed dat Ton van der Lee het met deze kritische opmerkingen over de maraboutage eens zal zijn, daarvoor heeft hij lang genoeg in het land gewoond en kent de gebruiken en misbruiken. En die paar zinnetjes doen natuurlijk in generlei wijze afbreuk aan de waarde van zijn boek. Maar Westerse lezers zijn mijns inziens niet gebaat bij een voorstelling van de Malinese marabouts als ‘heilige’ mannen….

 

Al bij al is dit een boek waarvan ik hoop dat velen het zullen lezen, ook mensen die niet direct betrokken zijn bij ontwikkelingshulp, al is het alleen al omdat Van der Lee de plaatstelijke toestanden van armoede en onderontwikkeling op een manier weet te schilderen die de lezer vragen doet stellen bij de eigen rijkdom….

Ton van der Lee: Kinderen van Afrika
Ton van der Lee: Kinderen van Afrika. Het success van particuliere hulpprojecten. Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2011.

 

Ton van de Lee: Children of Africa

Een klankbeeld bekekenThe sound image of Segou

Een klankbeeld bekekenThe sound image of Segou

Van klank kun je normaal niet echt een beeld maken. Toch zou je deze rubriek moeten beginnen met een zwart vierkant:

Zo ziet het hier ‘s nachts uit (als de maan niet schijnt). Alles is in diepe slaap gedompeld en de inktzwarte nacht omhult je met zijn zwarte handschoenen. Je denkt dat dit nog een hele tijd kan doorgaan, maar dan gebeurt er iets. Wanneer precies is ons nog niet zo duidelijk: volgens Mimi is het rond 4 u., volgens mij eerder rond halfzes ‘s ochtends. Maar ineens ontstaat uit dit zwarte gat een nieuw heelal. Een echte ‘big bang’. Wat is er aan de hand? Het is het eerste gebed van de moslims. Iemand zit heel ongeduldig op dat gebed te wachten en daarom moet er massaal ruchtbaarheid aan worden gegeven. Er is hier slechts één moskeetje iets verder in de straat en de versterking die ze daar voor het gebed gebruiken is zeer bescheiden. Maar nu, om uit het zwarte vierkant te treden, is het alsof we omgeven zijn door een dozijn moskeeën, waarvan de muezzins doen alsof hun leven ervan af hangt door op te roepen tot het gebed. Ik hou eigenlijk van de muezzin: hij geeft regelmaat en structuur aan de dag, en gezien ik hier geen horloge meer draag (indachtig het Afrikaans gezegde “Vous Européens, vous avez des montres, mais nous avons le temps”), helpt de muezzin om een beetje ordening aan te brengen in de dikke brei van Afrikaanse tijd. Alleen: een gezang tot de allerhoogste zou toch tenminste mooi moeten klinken. (En mocht je een echt prachtige Azan – morgengebed – willen horen, weliswaar uit Turkije, dan is dit wat – met zo’n muziek wil ik elke dag van mijn leven gewekt worden! Toegegeven, het is pentatonische muziek, zoals ons Gregoriaans, trouwens, en je moet je daaraan overgeven en het Wohltemperierte Klavier vergeten, maar dan gaat een wereld van muzikale schoonheid open: Azan, het islamitische morgengebed. Maar wat de muezzins hier presteren moet niet onderdoen voor wat de kosters in mijn kinderjaren presteerden: elke muzikale neiging bruusk de kop indrukken, elk esthetisch gevoel ondermijnen – OF: het juist allemaal tot verzet nopen, verzet tegen de officiële kosters.

De muezzins hier zingen niet mooi, maar hard genoeg om iedereen wakker te maken. Wel ga je na verloop van tijd verschillende stemmen herkennen, en hoe elk van de muezzins een eigen stijl heeft, soms een diepe sonore stem die het gebed slechts 1 keer zingt, soms een hoge bariton die in een gevecht met een storm-op-zee gewikkeld lijkt, een ander onverschillig maar eindeloos herhalend.

Het netto effect is in ieder geval dat nu iedereen mee gaat doen: de hanen beginnen te kraaien, de ezels te balken, de schapen te blaten. Het hele dorp staat plots in rep en roer. Lawaai. Onmogelijk om niet deel te nemen. Behalve de slapenden. Die draaien zich nog een keertje om. En waarachtig, na een half uurtje houdt de storm op en wordt alles weer heel rustig, zelfs de hanen vergeten te kraaien. Dan rond zonsopgang (rond 6 u.) is alles stil, sommige mensen komen uit hun huizen, er verschijnen de eerste kinderen op straat, maar alles is kalm.

De rest van de dag blijft alles rustig, maar vrachtwagens komen aan- en afrijden voor het zand uit de Niger, en de schapen beginnen hartstochtelijk te blaten wanneer een meisje op de hoek begint te wenen. Nu kabbelt het rumoer van gezapig en veraf tot rumoerig, vaak gevoed door grote groepen kinderen die door de straten lopen: in Mali heb je steeds met een zee aan kinderen te maken (de helft van de bevolking is jonger dan 25 jaar!). Soms heb je de indruk dat je op een boerderij in de Vlaanders bent, zo kraait en blaat het hier. Maar tijdens de zengende hitte van de middag is alles stil.

Tegen de avond aan wordt alles wat luidruchtiger: de kinderen spelen wat gevaarlijker, de volwassenen komen naar buiten. En bij zonsondergang rond 18 u, precies 12 uur na de zonsopgang (alle dagen zijn hier even lang!) roept de muezzin nog een laatste keer voor het gebed. En als je toch nog eens een doorleefd en mooi gezang uit de Islam wil horen, luister dan naar:  Voorzanger in islamitisch gebed.  De volgende uren zijn donker, echt donker, want er is hier geen straatverlichting, en wat je hoort, wordt gedempt door de duisternis. De cicaden beginnen aan hun eindeloos eentonig nachtlied, dat echter geruststelt en een intimiteit schept.

Ten minste: wanneer er geen huwelijk wordt gevierd of wanneer jongelui een feestje gaan bouwen met hun 10.000 Watt versterkers. Dan kun je je best je oordopjes instoppen want het (werkelijk idiote) lawaai duurt … precies uit eerlijke schaamte tot de oproep tot het eerste gebed….Van klank kun je normaal niet echt een beeld maken. Er zijn wel mensen zoals Nabokov (niet de minste!) die beweerden dat ze klanken konden ‘zien’ of kleuren konden ‘horen’ (synesthesie, heet dat). En er is het beroemde gedicht van Arthur Rimbaud “Voyelles”, dat voor elke Franse klinker een gezichtsindruk wekt:

 

Vowels

 

                                (Voyelles)

 

A black, E white, I red, U green, O blue: vowels

Someday I’ll talk about your secret birth-cries,

A, black velvet jacket of brilliant flies

That buzz around the stenches of the cruel,

 

Gulfs of shadow: E, candour of mists, of tents,

Lances of proud glaciers, white kings, shivers of parsley:

I, purples, bloody salivas, smiles of the lonely

With lips of anger or drunk with penitence:

 

U, waves, divine shudders of viridian seas,

Peace of pastures, cattle-filled, peace of furrows

Formed on broad studious brows by alchemy:

 

O, supreme Clarion, full of strange stridencies,

Silences crossed by worlds and by Angels:

O, the Omega, violet ray of her Eyes!

 

 

 

 

 

Toch zou je deze rubriek moeten beginnen met een zwart vierkant:

Zo ziet het hier ‘s nachts uit (als de maan niet schijnt). Alles is in diepe slaap gedompeld en de inktzwarte nacht omhult je met zijn zwarte handschoenen. Je denkt dat dit nog een hele tijd kan doorgaan, maar dan gebeurt er iets. Wanneer precies is ons nog niet zo duidelijk: volgens Mimi is het rond 4 u., volgens mij eerder rond halfzes ‘s ochtends. Maar ineens ontstaat uit dit zwarte gat een nieuw heelal. Een echte ‘big bang’. Wat is er aan de hand? Het is het eerste gebed van de moslims. Iemand zit heel ongeduldig op dat gebed te wachten en daarom moet er massaal ruchtbaarheid aan worden gegeven. Er is hier slechts één moskeetje iets verder in de straat en de versterking die ze daar voor het gebed gebruiken is zeer bescheiden. Maar nu, om uit het zwarte vierkant te treden, is het alsof we omgeven zijn door een dozijn moskeeën, waarvan de muezzins doen alsof hun leven ervan af hangt door op te roepen tot het gebed. Ik hou eigenlijk van de muezzin: hij geeft regelmaat en structuur aan de dag, en gezien ik hier geen horloge meer draag (indachtig het Afrikaans gezegde “Vous Européens, vous avez des montres, mais nous avons le temps”), helpt de muezzin om een beetje ordening aan te brengen in de dikke brei van Afrikaanse tijd. Alleen: een gezang tot de allerhoogste zou toch tenminste mooi moeten klinken. Maar wat de muezzins hier presteren moet niet onderdoen voor wat de kosters in mijn kinderjaren presteerden: elke muzikale neiging bruusk de kop indrukken, elk esthetisch gevoel ondermijnen – OF: het juist allemaal tot verzet nopen, verzet tegen de officiële kosters.

De muezzins hier zingen niet mooi, maar hard genoeg om iedereen wakker te maken. Wel ga je na verloop van tijd verschillende stemmen herkennen, en hoe elk van de muezzins een eigen stijl heeft, soms een diepe sonore stem die het gebed slechts 1 keer zingt, soms een hoge bariton die in een gevecht met een storm-op-zee gewikkeld lijkt, een ander onverschillig maar eindeloos herhalend.

Het netto effect is in ieder geval dat nu iedereen mee gaat doen: de hanen beginnen te kraaien, de ezels te balken, de schapen te blaten. Het hele dorp staat plots in rep en roer. Lawaai. Onmogelijk om niet deel te nemen. Behalve de slapenden. Die draaien zich nog een keertje om. En waarachtig, na een half uurtje houdt de storm op en wordt alles weer heel rustig, zelfs de hanen vergeten te kraaien. Dan rond zonsopgang is alles stil, sommige mensen komen uit hun huizen, er verschijnen de eerste kinderen op straat, maar alles is kalm.

De rest van de dag blijft alles rustig, maar vrachtwagens komen aan- en afrijden voor het zand uit de Niger, en de schapen beginnen hartstochtelijk te blaten wanneer een meisje op de hoek begint te wenen. Nu kabbelt het rumoer van gezapig en veraf tot rumoerig, vaak gevoed door grote groepen kinderen die door de straten lopen: in Mali heb je steeds met een zee aan kinderen te maken (de helft van de bevolking is jonger dan 25 jaar!). Soms heb je de indruk dat je op een boerderij in de Vlaanders bent, zo kraait en blaat het hier. Maar tijdens de zengende hitte van de middag is alles stil.

Tegen de avond aan wordt alles wat luidruchtiger: de kinderen spelen wat gevaarlijker, de volwassenen komen naar buiten. En bij zonsondergang rond 19 u, precies 12 uur na de zonsopgang (alle dagen zijn hier even lang!) roept de muezzin nog een laatste keer voor het gebed. De volgende uren zijn donker, echt donker, want er is hier geen straatverlichting, en wat je hoort, wordt gedempt door de duisternis. De cicaden beginnen aan hun eindeloos eentonig nachtlied, dat echter geruststelt en een intimiteit schept.

Ten minste: wanneer er geen huwelijk wordt gevierd of wanneer jongelui een feestje gaan bouwen met hun 10.000 Watt versterkers. Dan kun je je best je oordopjes instoppen want het (werkelijk idiote) lawaai duurt … precies uit eerlijke schaamte tot de oproep tot het eerste gebed….

Bedelende meisjesBegging girls

Bedelende meisjesBegging girls

Tussen de honderden bedelende jongetjes die je hier op straat ziet, zie je eigenlijk nooit een meisje. Die worden angstvallig thuisgehouden, mede ook natuurlijk om het zware werk daar te doen, of ze worden de stad ingestuurd, om daar te ‘dienen’ (zoals dat bij ons in de 19de E heette). Daar verdienen ze vrijwel niets voor een slavenleven: van 6 u. ‘s ochtends tot minstens 6 u. ‘s avonds, vaak tot middernacht, zijn ze in de weer niet slechts met huiselijke taken maar ook met zwaar fysisch werk. (Ooit al eens een jerrycan van 20 liter op je hoofd enkele kilometer verplaatst? BESLIST eens proberen!) Het gaat vaak om meisjes van 14-15 jaar, en wanneer ze na een jaar dienen (waarin ze niet één Euro verdiend hebben) op huisbezoek gaan, zijn ze meestal zwanger, en mogen dan van geluk spreken dat ze niet met HIV besmet zijn. Of ze worden de prostitutie ingestopt. Officieel is dat verboden in Mali, maar de Malinese manier is om over heikele dingen niet te spreken …. dan bestaan ze niet!

De Koran laat hier ook weinig onduidelijkheid over bestaan: Sura 24, vers 33 zegt duidelijk:

“But force not your maids to prostitution when they desire chastity, in order that ye may make a gain in the goods of this life. But if anyone compels them, yet after such compulsion, is Allah Oft-Forgiving, Most Merciful (to them).” (Ali 2009: 39)

Voor wie aan de vertaling mocht twijfelen, hier is die van Abdel Haleem (2005):

“Do not force your slave-girls into prostitution when they themselves wish to remain honourable, in terms of your quest for the short-time gains of this world, although, if they are forced, God will be forgiving and merciful [to them].” (p. 223)

Of die van Arkoun (Paris: 1970):

“Ne forcez point vos servants a se prostituer, si elles désirent se prémunir contre la prostitution en vue des biens de ce monde. Si quelqu’un les y forçait,  Dieu sera indulgent et aura pitié d’elles. De ce qu’elles n’ont fait de mal par contrainte.” (p. 276)

Of die van Henning (1960):

“Und zwingt nicht euere Sklavinnen zur Hurerei, wo sie keusch leben wollen, in Trachten nach dem Gewinn des irdischen Lebens. Und wenn sie einer zwingt, siehe, so ist Allah, nachdem sie gezwungen wurden, vergebend und barmherzig.” (p. 338)

Geen woord over diegenen die de meisjes tot prostitutie dwingen, dat is kennelijk OK, daar hoeft kennelijk geen vergevingsgezinde Allah aan te pas te komen. Ook het motief dat wordt aangegeven is interessant: je moet er niet op uit zijn, geld te verdienen met het prostitueren van je dienstmeisjes. Kennelijk gaat het in de tekst om een wereld waarin het dwingen tot prostitutie van afhankelijke meisjes tot de alledaagse geplogenheden behoort. (Waarom er anders een waarschuwing tegen uitvaardigen?) Interesssant boek, die Koran! Waarom vertellen de Arabisten en Islamologen ons niet meer over wat daar allemaal in staat, maar moeten wij dat op TV van hitsige jonge mannen horen, die waarschijnlijk nog nooit de Koran gelezen hebben?!!

Maar goed, gisteren werd ik op straat aangeklampt door een 6-tal bedelende <em>meisjes</em>, wat ik nog niet eerder had gezien. Het was duidelijk dat ze als groepje opereerden, wellicht om in hun eigen veiligheid te voorzien. Ik had niet veel om ze te geven (en geld geven we sowieso nooit!), dus ik gaf ze een tomaat. Toen ik naar mijn fiets toestapte, kwamen ze me allemaal tegemoet gelopen, gaven me een hand en kusten me op mijn armen. Ik hoop maar dat ze niet denken dat ik ook een ‘marabout’ ben….

Referenties:

Ali, Abdullah Yusuf. The Holy Qur’an. New Delhi: 2009.

Abdel Haleem, M.A.S.: The Qur’an. Oxford University Press, 2005.

Arkoun, Mohammed. Le Coran. Paris: Flammarion, 1970.

Henning, Max. Der Koran. Stuttgart: Reclam, 1960.

 

Over het bedelen van de leerlingen van de Koranscholen, zie de BBC reportages:

http://news.bbc.co.uk/2/hi/africa/2838201.stm

http://news.bbc.co.uk/2/hi/africa/8621743.stm

of:

http://www.hrw.org/news/2010/04/15/senegal-boys-many-quranic-schools-suffer-severe-abuse

http://www.superkoran.info/forums/viewtopic.php?f=1&t=5425

http://www.biyokulule.com/view_content.php?articleid=2695

http://www.msnbc.msn.com/id/24229321/ns/world_news-africa/t/some-islamic-schools-turn-kids-beggars/Amidst the (literally) hundreds of begging boys one meets in the street here, there is hardly ever a girl. That is because girls are painstakingly hidden in the house, to help their mothers do the household. Or they are sent to town to serve as a maid (as was usual in Europe until the first half of the 20th century). There they earn virtually nothing. For a slave life that begins at 6 a.m. and runs through 6 p.m., often even until midnight. (Usually they just get a meal in return for that – Malians, though Muslims, are not particularly compassionate among themselves, that is rather something that is expected of white strangers.) During that time they are occupied not just with household chores, but also with heavy physical labour. (Ever tried to move a 20-liter jerrycan filled with water for a couple of miles? You should DEFINITELY have a try!!)

Most of these girls are about 14-15 years of age, and when they return to their village after a year or so they have not a single earning to bring in, are oft pregnant, and may be quite happy when they are not HIV infected. Or, if they are not sent out to serve as a maid, they may be put in prostitution. Especially orphan girls, or ones that have weak family protection, often end there. Officially prostitution is illegal in Mali, but the police are some of the customers…. And the Malian way of treating problems is NOT to talk about them … then the problems simply don’t exist!

The Qur’an is enlightening in this respect. Sura 24, vers 33 says:

“But force not your maids to prostitution when they desire chastity, in order that ye may make a gain in the goods of this life. But if anyone compels them, yet after such compulsion, is Allah Oft-Forgiving, Most Merciful (to them).” (Ali 2009: 39)

For those readers who doubt the accuracy of translation, here is the one by Abdel Haleem (2005):

“Do not force your slave-girls into prostitution when they themselves wish to remain honourable, in terms of your quest for the short-time gains of this world, although, if they are forced, God will be forgiving and merciful [to them].” (p. 223)

Or the one by Arkoun (Paris: 1970):

“Ne forcez point vos servants a se prostituer, si elles désirent se prémunir contre la prostitution en vue des biens de ce monde. Si quelqu’un les y forçait, Dieu sera indulgent et aura pitié d’elles. De ce qu’elles n’ont fait de mal par contrainte.” (p. 276)

Or Henning’s (1960):

“Und zwingt nicht euere Sklavinnen zur Hurerei, wo sie keusch leben wollen, in Trachten nach dem Gewinn des irdischen Lebens. Und wenn sie einer zwingt, siehe, so ist Allah, nachdem sie gezwungen wurden, vergebend und barmherzig.” (p. 338)

Remarkable: not a single word about those who force young dependent girls in prostitution, apparently that is OK, no need for tha all-forgiving Allah to say something about this. Also the motive is interesting: you shouldn’t try to get money through prostituting your maids. Obviously the text is about a world in which forcing young girls into prostitution is something universally common. (Why, otherwise, would you have to fulminate against it?) Interesting book, this Qur’an. But why are Arabists and Islamologists not telling us such things, but do we have to listen on TV to the ranting of young men who in all probability have never quietly sat over the text of this book?

But OK, yesterday, I was accosted near the market by some 6 begging girls, something I had not experienced before. It was clear that they operated in group, presumably to provide protection to each other. I did not have much to donate, so I gave them a tomato. On going toward my bicycle, they stormed after me, shaking my hand and kissing my arms. I hope they did / do not take me for some kind of marabout…..

 

References:

Ali, Abdullah Yusuf. The Holy Qur’an. New Delhi: 2009.

Abdel Haleem, M.A.S.: The Qur’an. Oxford University Press, 2005.

Arkoun, Mohammed. Le Coran. Paris: Flammarion, 1970.

Henning, Max. Der Koran. Stuttgart: Reclam, 1960.

 

About begging by pupils of Koranic schools, see the BBC reports:

http://news.bbc.co.uk/2/hi/africa/2838201.stm

http://news.bbc.co.uk/2/hi/africa/8621743.stm

or:

http://www.hrw.org/news/2010/04/15/senegal-boys-many-quranic-schools-suffer-severe-abuse

http://www.superkoran.info/forums/viewtopic.php?f=1&t=5425

http://www.biyokulule.com/view_content.php?articleid=2695

http://www.msnbc.msn.com/id/24229321/ns/world_news-africa/t/some-islamic-schools-turn-kids-beggars/

Brieven aan de MinistersLetters to Ministers

Brieven aan de MinistersLetters to Ministers

Beste Lezers,

Op 29 juli van dit jaar schreven we een uitgebreid verzoek aan Karel de Gucht (Europees Commissaris van Handel) met cc. aan diverste Belgische en buitenlandse Ministeries en ambassades / consulaten. Alleen de Franse ambassadeur heeft tot nu toe hierop geantwoord (zij het het een jantje van leiden: dat hij verantwoordelijk is voor de ‘innocents Français’ die in Niger (!! Niet in Mali dus…) ontvoerd zijn. Men vraagt zich daarbij ook af of de kinderen die hier nu door het Franse negatieve reisadvies honger leiden, misschien niet evenzeer ‘innocents’ zijn). Maar afgezien daarvan hebben de Belgische autoriteiten er het zwijgen toe gedaan. Met één uitzondering: op 19 augustus werd ik thuis in Antwerpen opgebeld door de Heer Rik Wouters, kabinetschef van Minister Vanackere, Minister van Buitenlandse Zaken (en dus de verantwoordelijke voor het negatieve reisadvies over Mali.) De Heer Wouters heeft mij één zin meegedeeld: “U moet schrijven, dan zal ik antwoorden.” (Wat ik diende te schrijven, was mij niet zo duidelijk, want ik HAD net geschreven, maar goed, meteen kreeg de Heer Wouters en Minister Vanackere een nieuw schrijven. Maar van de tweede zin van de Heer Wouters is tot op heden (13.11.11) niets in huis gekomen.

Ik begrijp ook wel dat Mali niet bovenaan de agenda van onze bewindslieden staat, daarom heb ik ook behoorlijk wat geduld geoefend. Maar wanneer na 5 maanden er nog steeds geen teken van leven is, begint men zich toch de vraag te stellen of de Minister onze emails heeft ontvangen.

Hieronder vindt u kopieën van de net verzonden emails. Of er ooit een antwoord op komt? We houden jullie in ieder geval op de hoogte!! (En natuurlijk kun je zelf ook de nodige vragen aan de desbetreffende bewindslieden stellen….)

———————————–

Geachte Heer Vanackere,

Op 29 van dit jaar stuurde ik u in cc een kopie van een email met het verzoek om uw invloed te willen uitoefenen om een meer genuanceerd reisadvies voor Mali binnen de Europese Unie te verspreident. U vindt deze email onderaan te uwer attentie.

Op 19 augustus jl werd ik persoonlijk opgebeld door uw kabitnetschaf, de Heer Dirk Wouters, die mij verzocht: “U moet eerst schrijven, dan zal ik antwoorden.” Ik heb u dus onmiddelijk opnieuw de argumentatie toegestuurd (zie eveneens onderaan deze email), maar van de tweede helft van de zin van de Heer Wouters is tot op heden niets gekomen. In de desbetreffende email wordt verwezen naar naar de onderzoeksgegevens van het Freedom House, een onafhankelijke onderzoeksinstelling, die in haar jaarverslag steeds weer tot de conclusie komt dat Mali, naast Zuid-Afrika en enkele kleine landjes, het enige echt democratische land in Afrika is. Men zou dus verwachten dat u als beleidsvoerder er alles aan zou doen om de democratische instellingen in dit land te steunen en te verstevigen.

Precies omdat de Malinese overheid de voorbije jaren ingezet had op de ontwikkeling van een toeristische infrastructuur, die het land de nodige deviezen moest opbrengen voor verdere economische ontwikkeling, heeft echter het negatieve reisadvies van uw kabinet de hele Malinese economie een zware slag toegebracht, met als gevolg dat de armoede vrij spel krijgt.

Als tijdelijke bewoner van dit land ben ik uiteraard van dichtbij betrokken bij deze ontwikkeling die me naar de keel grijpt – temeer omdat deze maatregel eerder op angst lijkt gebaseerd dan op feitelijke gegevens. Daarom wil ik u nogmaals vragen of de inlichtingen waarover u beschikt betrouwbaar zijn… Zijn uw inlichtingen dan even goed als die van de CIA die zeker wist dat Irak over massavernietigingswapens beschikte? Waar zijn de feiten waarop het Belgische reisadvies (met betrekking tot Mali!) is gebaseerd?

Dat Mali niet tot Uw top-prioriteiten (daarom heb ik ook heel wat geduld geoefend: sind 29 juli!), ligt voor de hand, maar dat door het negatieve EU reisadvies, Malinese kinderen de hongerdood sterven, is ontoelaatbaar. Daarvoor schaam ik me diep, én als EU burger én als Belgisch  ontwikkelingswerker in dit jonge, maar democratische land.

Ik wil u vragen of u mijn emails ontvangen heeft, en of u, als verkozene van het volk, bereid en in staat bent om op ernstige vragen van burgers (die u verkozen hebben) te antwoorden.

Met vriendelike groeten,

Prof. Willie van Peer, Ph.D.

————————————-

Aan de heer Karel De Gucht

Member of the European Commission

BE-1049 Brussels

Antwerpen, 29 juli 2011

Betreft: Negatieve reisadviezen voor Mali

Geachte heer De Gucht,

Als Europees Commissaris voor Handel en voormalig Commissaris voor Ontwikkelingshulp en Humanitaire Hulp bent u meer dan wie ook op de hoogte van Europa’s politiek tegenover Mali. Ondergetekenden betreuren in het bijzonder de laatste ontwikkelingen dienaangaande.

Sinds bijna een jaar wordt het EU-burgers ten stelligste afgeraden Mali te bezoeken. Officiële reden is een verhoogd gevaar voor terrorisme. Dit reisadvies is op vrijwel alle officiële websites te lezen en een aantal reislustigen werd ook persoonlijk gecontacteerd door ambassadepersoneel van België. Toch waren er de voorbije maanden geen incidenten in Mali – wél in de buurlanden.

Mali heeft dan ook een bijzonder stabiele regering, met aan het hoofd een partijloze vrouwelijke eerste minister naast een liberaal en vooruitstrevend president, die anders dan alle andere Afrikaanse presidenten geen derde ambtstermijn ambieert. Dat pleit voor het democratisch gehalte van deze regering, die het toerisme aanmoedigde, in de veronderstelling dat hierdoor de Malinese economie zou aantrekken, de extreme armoede zou verminderen en tegelijk universele waarden en systemen ingang zouden vinden in de Malinese samenleving. Want Mali opteert voor progressieve hervormingen op verschillende niveaus van de samenleving.

Precies daarom is het bijzonder pijnlijk vast te stellen dat Europa geen oog heeft voor de goodwill van deze regering. Integendeel, Europa’s draconische reisadviezen treffen Mali’s prille economie in het hart. De grootste slachtoffers zijn de gewone Malinezen, en niet AQMI. Bovendien betekent een dergelijke internationaal gecoördineerde aanpak gratis promotie voor AQMI, dat in de verpauperde regio’s het gat vult waar de andere (westerse) werkgevers zijn weggevallen. De groeiende economische én culturele isolatie van het land vergroten immers de materiële en geestelijke verarming van de bevolking. Dergelijke ontwikkeling vond ook in andere regio’s plaats en dreigt zich hier te herhalen.

Vandaar deze vraag om – in Mali’s én in Europa’s belang – uw persoonlijke invloed aan te wenden om deze uit de hand gelopen situatie om te buigen in een meer verantwoorde samenwerking met Mali. Primordiaal daarbij is dat het international reisadvies voor Mali wordt bijgestuurd – zowel door België als door de andere Europese landen. Gebeurt dit niet op korte termijn, dan kan dit op langere termijn tot een historische negatieve ontwikkelingsspiraal leiden, die zowel de Malinese als de Europese samenleving treft.

Met de meeste hoogachting,

 

Prof. Dr. Willie van Peer

Mimi Debruyn

v.z.w. Mali-ka-di

Ferdinand Coosemansstraat 87

2600 Antwerpen-Berchem

België

Tel +32-(0)3 2185436

[—————

Geachte Heer Wouters,

Bijzondere dank voor uw telefoon van daarnet [op 19 augustus jl.]. Uw diensten hebben van mij / ons een kopie ontvangen van een brief aan de Heer Karel de Gucht dd. 29 juli jl., waarvan u onderaan in deze email een kopie vindt. Ik wou u net een email sturen met de vraag om een reactie van Buitenlandse Zaken op ons schrijven. Wij begrijpen dat u bezorgd bent om het welzijn van Belgische burgers in Mali en waarderen dit ten zeerste. Echter, de situatie ter plaatse lijkt van dien aard te zijn dat er eigenlijk geen gevaar is voor Belgische toeristen (tenminste zolang ze zich aan veiligheidsvoorschriften houden, zoals niet ’s nacht te reizen): er zijn tijdens het laatste jaar op het grondgebied van Mali geen aanslagen tegen Belgische toeristen gepleegd en ook hebben er geen ontvoeringen van  Belgische burgers plaats gehad. Wij zijn regelmatig in contact met enkele dozijnen landgenoten in het land die ons telkens weer bevestigen dat er in Mali geen terroristische dreiging heerst. Er zijn zeker kampen van AQMI op Malinees grondgebied, vooral in de grensstreek met Mauretanië, Algerije en Libye, maar die vormen vooralsnog geen enkel gevaar voor de typische toeristische oorden die door Belgen bezocht worden. Veeleer wordt voortdurend door vrijwel alle collega’s verwezen naar het diplomatiek conflict tussen Frankrijk en Mali, waarbij eerstgenoemde probeert bovenmatige druk op Mali uit te oefenen door zijn burgers sterk te ontmoedigen om daardoor het toerisme naar Mali te ontwrichten.

Wij willen er graag op wijzen dat Mali naast Zuid-Afrika het enige Afrikaanse land is waar enige vorm van prille democratie heerst, aldus de rapporten van de onafhankelijke organisatie FREEDOM HOUSE in New York (zie onder meer: http://www.freedomhouse.org/template.cfm?page=22&year=2011&country=8086). Deze prille democratie wordt nu door dergelijke negatieve reisadviezen van Westerse landen, waaronder België (dat kennelijk geen onafhankelijke koers vaart, maar zonder meer de Franse lijn volgt), in zijn bestaan bedreigt: door deze negatieve reisadviezen is het aantal jaarlijkse toeristen in Mali van 150.000 naar ongeveer 4.000 gezonken, wat voor een land als Mali een economische catastrofe betekent, terwijl de regering juist bezig was om de toeristische sector te versterken en uit te bouwen.

Het moge duidelijk zijn dat landen die aan de rand van de economische afgrond staan en door Westerse landen in de steek gelaten (of beter: afgestraft) worden, zich zeker niet in de richting van tolerante samenlevingen naar Westers model zullen ontwikkelen, en dat door de huidige negatieve reisadviezen de armoede in het land toeneemt – een betere voedingsbodem kan AQMI zich nauwelijks indenken. Kortom, wij willen er bij uw diensten met klem op aandringen, deze negatieve reisadviezen op te heffen (behalve voor enkele probleemgebieden). Men houdt AQMi zeker niet tot stand door armoede te veroorzaken.

Wij waarderen uw inspanningen voor de Belgische burgers ten zeerste, maar betreuren dat deze grotendeels zijn ingegeven door een diplomatiek geschil tussen Frankrijk / Mali en door onjuiste informatie ten aanzien van de veiligheid van westerse burgers in de typische toeristische gebieden van Mali (Segou, Djenné, Dogon, etc.) Het persoonlijk telefonisch opbellen van potentiële reizigers in België door ambassade-personeel, of het opwachten van Belgische toeristen op de luchthaven van Bamako om hen te ontmoedigen het land te bezoeken, creëert een paniek-sfeer onder potentiële toeristen die totaal ongegrond is – en onzes inziens ook niet tot de verantwoordelijkheden van ambassade-personeel behoort.

Wij vragen u daarom nogmaal dringend, in naam van onze eigen organisatie en van vele anderen, deze uit de lucht gegrepen negatieve reisadviezen aan Belgische en Europese burgers te willen beëindigen. Wijzelf vertrekken over enkele weken voor ontwikkelingshulp naar Mali. Wij kunnen u verzekeren dat wij ons in Mali veiliger weten dan in bepaalde delen van grootsteden in België…..

Met dank voor uw aandacht, en vriendelijke groeten,

Prof. Willie van Peer, Ph.D.

Mimi Debruyn

namens v.z.w. Mali-ka-di

 Dear Readers,

On 29 July of this year we sent an extended request to Karel de Gucht (European Commissioner for Commerce) with cc. to various Belgian and foreign Ministries and embassies / consulates. Until now, only the new French ambassador has replied (albeit acting as if his nose was bleeding: he was here in Mali, so he wrote, to ‘protect’ the innocentFrench citizens that had been kidnapped – in Niger, by the way – so NOT in Mali…) One also wonders whether Malian children who now go hungry as a result of the French quasi-prohibition to its citizens to visit Mali are not perhaps also ‘innocent’ ….

But apart from this hollow reaction, there hasn’t been a single reaction on the part of the Belgian authorities (nor of the Dutch of British, for that matter!) With ONE exception! On 19 August I received a telephone call from Rik Wouters, Secretary-General to the Belgian Foreign Office, and to Steven Vanackere, Deputy Prime Minister of Belgium and Minister of Foreign Affairs. It was quite a weird telephone conversation, which consisted only (after my expressing my gratitude and whether we could discuss these things) of one simple clumsy sentence: “You must write, then I will anser.” (My clumsy translation). Whatever I needed to write to him did not dawn on me, since I HAD just extensively given him all the arguments. But I immediately sent Mr. Wouters and Mr. Vanackere a new email with the repeated arguments against a negative travel advice for Mali. The second half of Mr. Wouters’s sentence, however, has to this very day remained unfulfiled….

Sure I understand that this god-forgotten land (Mali) is no top priority for politicians, and for that reason I exerted quite a good deal of patience. But when not a single reaction is forthcoming after more than five months, one starts wondering (at least) whether the emails have reached their destinations.

In the Dutch version on this website (of course the letters are in Dutch) you will find our latest email (as of today, 13.11.11), of 19 August and of 29 July – all in this very year. Whether we will ever get an answer? I have long thought I lived in a democracy, meaning that people in responsible posts are elected, and thus one would be willing (if only out of the urge for self-preservation) to provide informed answers to serious questions by interested citizens. I am not so sure any more… (about democracy). But maybe you yourself can have a go. Who knows you are more successful than we!…

 

Feest in SikoroFestivities in Sikoro

Feest in SikoroFestivities in Sikoro

Op 29 oktober werd een nieuw ziekenhuis ingewijd in Sikoro – of Segou koro (het ‘oude Segou’ – er is nogal wat discussie over de namen en hun oorsprong hier) en natuurlijk moest dat gepaard gaan met een feest, waar wij natuurlijk ook naartoe moesten. We geven hier onder enkele foto-indrukken van hoe zo’n festiviteiten hier verlopen, vrijwel steeds met marionetten, wat mooi is om te zien en waar het publiek ook dol op is!

Benedenaanzicht

 

 

 

 

 

 

 

De menigte

 

 

 

 

 

 

 

 

De kleuren

 

 

 

 

 

 

 

De Meesters

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Meesters van het feest met hun zwepen

 

 

 

 

 

 

 

De gemaskerde Meester

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het plaatselijk transport

 

 

 

 

 

 

 

Het plunje van de Meester

 

 

 

 

 

 

 

Het publiek onder het zeildoek

 

 

 

 

 

 

 

 

Vrouwen op het plein

 

 

 

 

 

 

 

Vrouwen onder elkaar

 

 

 

 

 

 

 

Tussen het publiek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

x

 

Het leven in FintigilaDaily life in Fintigila

Het leven in FintigilaDaily life in Fintigila

Beste lezers, misschien heb je je al afgevraagd waarom er nog steeds geen verslagen te lezen zijn van onze bezoeken aan het dorp Fintigila (inmiddels toch al twee keer na de opening van de school). Daar is een reden voor: we vinden het onnoemelijk moeilijk om dergelijke ervaringen in woorden te vatten voor lezers die dergelijke situaties helemaal niet kennen. Aan de andere kant vinden we het des te belangrijker om tenminste te proberen iets van die ervaringen weer te geven. Tenslotte zijn problemen van onderontwikkeling moeilijk te begrijpen zonder enige kennis van de ingangsvoorwaarden die dergelijke onderontwikkeling veroorzaken. Daarom doen we een poging – of beter, zullen we meerdere pogingen doen om tenminste enkele van onze indrukken hier weer te geven. Sommige ervan zijn uiterst vreemd, sommige zijn grappig, weer andere zijn zonder meer shockerend.

Daarbij willen we benadrukken dat alles wat we over ons leven in dit dorp beschrijven voortkomt uit een diep respect voor de mensen die we daar ondertussen hebben leren kennen – we zouden ons de moeite van onze verblijven daar (en de ontberingen die ze met zich meebrengen) zonder een diepe sympathie voor het lot van de mensen aldaar die in dergelijke condities moeten leven (en die niet zelf gekozen hebben!) Een dergelijke attitude maakt echter een beschrijving niet per se eenvoudiger, vaak het tegendeel….

 You may have noticed that even after two visits to ‘our’ village of Fintigila we still haven’t reported on our experiences. There is a reason for that: we find it extremely difficult to describe these experiences in words to readers who have not been in situations like these. Nevertheless, we believe it is important for us to at least in part try to impart some impressions to our general readership. After all, problems of underdevelopment are difficult to understand if one does not know the initial circumstances that feed into such underdevelopment. So we will make an effort – or rather several efforts, in the hope we can get across some of our experiences. Some of these may be strange, funny, or indeed downright shocking. Please consider that in all cases we write out of a deep respect for the people we have come to know there – we wouldn’t go to all the personal trouble (or indeed endure the hardships involved) if we would not be in deep sympathy with the plight of people living in those conditions. (But such attitude does not necessarily make life easier….)

Kievitornithology

Kievitornithology

Gisteren was ik in Fintiguila samen met twee andere mannen op zoek naar gunstig gelegen plekken aan de oever van de Bani-rivier om er tuintjes te beginnen. De bodem van sommige plekken zou zich uitstekend lenen voor het aanplanten van aardappelen, en daarvoor is in Segou zeker een afzet-markt.

Ik werd geattendeerd op de sporen die een slang in het zand had achtergelaten – voor het eerst kon ik zien welke sporen die achterlaat wanneer ze zich voortbeweegt in het zand van de savanne. Het was duidelijk dat de plaatselijke bewoners een superieure kennis van de natuur hebben, zo dacht ik. Tot we aan de oever van de rivier een koppeltje kieviten zagen, niet ‘onze’ kievit natuurlijk, maar een variant die hier in West-Afrika in waterachtige gebieden veelvuldig voorkomt: de vanellus spinosus.

sporenkievit (vanellus spinosus)

 

In het Bambara, de plaatselijke taal van de Somono’s die hier wonen, wordt die kievit ’toume-toume’ genoemd, wat zoveel wil zeggen als de vogel die nooit slaapt. De reden daarvoor is dat de vogel in kwestie weet dat Allah zijn ziel wil roven. (Waarom Allah dat zou willen, terwijl hij de kievit toch zelf gemaakt heeft volgens het islam-geloof, kwam geen antwoord.) De kievit meent echter aan dat lot te kunnen ontsnappen door nooit te slapen – vandaar zijn naam. Daarom ook (zo ging mijn informant verder) is de toume-toume een vogel die met een steen op zijn hoofd slaapt. Zo gauw die steen van zijn hoofd glijdt, wordt hij wakker en ontsnapt dus aan Allah’s rooftocht. (Waarom Allah niet toeslaat terwijl de kievit met de steen op zijn hoofd slaapt, wist mijn informant niet, evenmin hoe een kievit in de allereerste plaats een steen op zijn hoofd gelegd krijgt….) In ieder geval een mooi verhaal, reden waarom ik het hier opschrijf, want ik geloof niet dat het al eerder in ornithologische werken is genoteerd. (Volledigheidshalve er nog aan toevoegen dat mijn man enkele jaren aan een Malinese universiteit heeft gestudeerd – in een natuurwetenschappelijk vak nog wel! – en van zichzelf beweert, in tegenstelling tot vrijwel alle Malinezen, NIET in toverij te geloven!…)

Kievit op zoek naar een steen

 

 Yesterday I was in Fintiguila together with two local men looking for patches of land near the Bani-river that would qualify as ideal for vegetable gardens. Some parts indeed looked ideal (because of the composition of the soil – and of course because of the vicinity of water) for growing potatoes, and there certainly is a market for them in Segou.

The men drew my attention to traces a snake had left behind while moving through the sand, the first time I ever saw this. So my immediate reflection was what superior knowledge of nature locals had over me – or over Westerners generally. Until we got to the banks of the river where I spotted a pair of lapwings – not the European one, of course, but a local variety (the spur-winged lapwing), vanellus spinosus, that is rather frequent here at the waterside.

Spur-winged lapwing (Vanellus spinosus)

Enquiring after its local name I was told that in Bambara, spoken by the Somono’s who live here, the bird is called ‘toume-toume’ which means something like ‘the bird that never sleeps’, the reason being that Allah is constantly hunting for its soul. (Why Allah would do such a thing, while he had created the bird in the first place, was not the kind of question to be asked.) The lapwing knows about Allah’s plan and believes he can escape his fate by staying awake at all times. That is also why (according to my informant) the toume-toume bird sleeps with a stone on its head. As soon as the stone slips off its head, it awakes and thus getting away from Allah’s pursuit. (Why Allah does not strike while the bird is asleep with the stone on its head, or how the bird arrives at getting a stone on its head in the first place, were likewise questions without answers.) In any case it’s a lovely story which I wrote down here because, as far as I know, it has not been recorded yet in existing works of ornithology.

(Maybe interesting to complete the story is the fact that I was told it by someone who has spent a couple of years study at a Malinese university – at in the sciences at that! – and who asserts of himself that he does not, in contrast to most Malians, believe in magic or sorcery….)

Lapwing in search of a stone...

 

 

Breaking news! De FANGA school is vorige donderdag officieel geopendBreaking news! Breaking news! The FANGA school opened officially last Thursday!Breaking news!

Breaking news! De FANGA school is vorige donderdag officieel geopendBreaking news! Breaking news! The FANGA school opened officially last Thursday!Breaking news!

Het is eindelijk zover: onze FANGA school in het dorpje Fintigila in de savanna is vorige week donderdag officieel geopend: ga naar PROJECTEN en dan naar HET FANGA PROJECT IN FINTIGILA voor een verslag, vele foto’s en hopelijk ook enkele filmpjes.

 

 Finally!! Last Thursday the FANGA school we founded in the village Fintigila in the savanna opened officially last Thursday. Go to PROJECTS on this website, then to THE FANGA PROJECT IN FINTIGILA for a report, dozens of pics and hopefully also some film fragment.

 

 

MelopeeMelopee

MelopeeMelopee

voorbijvarende prauw

 

 

 

 

 

 

 

De Niger-stroom is aanzienlijk breder dan vorige keer (in het droog seizoen), ik schat wel een kilometer of twee. En de prauwen die erover varen zijn werkelijk majestatisch van elegantie. Doen denken aan Paul van Ostaijen’s gedicht:

MELOPEE

Onder de maan schuift de lange rivier

Over de lange rivier schuift moede de maan

Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee

Langs het hoogriet

langs de laagwei

schuift de kano naar zee

schuift met de schuivende maan de kano naar zee

Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man

Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee

Hier krijgt dat bekende gedicht een heel nieuw perspectief!

Slavenwerk
De stroom doet ook dienst als bron voor … zand! Met hun smalle prauwen varen ze meestal met twee de stroom in. Een van hen duikt naar de bodem met spade en een emmer en schept de emmer vol zand, de ander trekt hem naar boven, en de duiken zwemt naar de oppervlakte om op adem te komen. Dan opnieuw naar beneden, tot de hele boot vol is… Dan met de prauw naar de oever, daar met de schop alles op de oever uitladen, tot een vrachtwagen het zand komt ophalen, dan moet het ook nog op de vrachtwagen geraken, alles met mankracht dus: werkelijk slavenwerk! En hoogstwaarschijnlijk voor slechts enkele Euro’s!

gliding canoe on the Niger

 

The Niger-river is considerably wider than last time (in the dry season), I guess some 2 km wide at the moment. And the canoes that glide over it are really majestic and bring back memories of  Paul van Ostaijen’s poem:

Mélopée – Paul van Ostaijen

Under the moon the long river slides
Over the long river the moon sleepily slides
Under the moon on the long river the canoe slides to sea

Past the high reed
past the low pasture
slides the canoe to sea
slides with the sliding moon the canoe to sea
So to sea they are companions the canoe the moon and the man
Why do the two the moon and the man meekly slide to sea

(transl. Marcel Volker)

From this vantage point this well-known Flemish poem gains a new dimension and a profounder perspective.

 

Slave work

The river also serves as a source for …. fine sand. With their elegant canoes they usually go to the middle of the river with two or three on board. On of them dives to the bottom with a bucket and fills it with a spade while one of the others pulls it up, empties it in the canoe, while the diver comes up for air shortly and then recommences his work. Until the canoe is full of sand, which is then unloaded unto the bank of a river, loaded (by hand, what else?) onto a truck, real slave work! And in all probability just for a few Euros of work.

But Monique tells a story of a friend of hers who did this for three months, just to earn his motorbike – nothing more, otherwise all of his family would come to him for food….